Trilogie: Plomo, San José en Aconcagua - Deel 2: San José


Anita Sohie - 04 Mei 2004
TAGS

31 december 2003. Wim en ik hebben hoofdpijn, maar deze keer niet van de hoogte: de wijn zal er wel voor iets tussen zitten. We spraken af met onze chauffeur voor 2 januari, de San José (5880 m) staat dan op het programma. Zo kunnen we vandaag de nodige soepjes en knorrzakken inslaan, eetkommen en een trechter kopen en ook nieuwjaar vieren in Santiago. We verkennen de metro, die erg modern en efficiënt blijkt. We bezoeken de Plaza de Armas en het winkelcentrum van Santiago. Massa’s jongleurs, muzikanten, kunstenmakers en verkopers van plastieken prullen, speelgoed en juweeltjes zorgen voor veel sfeer in de stad, maar verraden toch armoede, werkloosheid en lonen die te laag zijn om van te leven. Het grote aantal (gewapende) flikken, dikwijls te paard, en veel gepantserde politiewagens vallen mij op.

We denken wat info te kunnen krijgen bij de "Club Andino Chileno", maar die is gesloten. Er is wel een winkel van bergsportmateriaal naast, waar een behulpzame gids ons wat info geeft.Hij zal 2 paarden voor ons reserveren in Banos Morales om onze bagage tot rifugio Plantat, het eerste kamp, te brengen. Hij is net terug van de Aconcagua en toont ons foto’s en prijzen, en heeft wel erg veel belangstelling voor Ingrid.

We vieren oudjaar intens, in een deftig restaurant met voor ons zeer betaalbare prijzen. Gelukkig moeten we niet op 1 januari vertrekken, want we hebben die dag nodig om te bekomen.

Op 2 januari is Raul, onze chauffeur, daar stipt op tijd. Het is wel een goede 2 u rijden naar Banos Morales, eerst over een goede baan, maar daarna over een verharde weg. Onderweg zien we nu wel arme buurten, maar toch niet vergelijkbaar met de sloppenbuurten van Lima. Ik vraag aan de chauffeur of er veel werkloosheid is in Chili, hij zegt dat er erg veel was, maar dat dit verbeterd is omdat de regering heel veel investeert in openbare werken, de aanleg van wegen en de bouw van sociale woningen. Hierdoor hebben veel mensen werk gevonden, maar de lonen zijn erg laag. (het Keynes-recept dus , bedenk ik)

Wat verder wijst Raul een weg aan: "Die weg leidt naar verschillende mijnen. Chili heeft koper, zilver en zelfs nog goud. De mijnen zijn zeer belangrijk." Op mijn vraag of die nog steeds, zoals vroeger, in handen zijn van buitenlanders, antwoordt hij "Ja, grotendeels wel. Sommige worden door Chilenen uitgebaat, maar de meerderheid niet". Door de Chileense staat? "Neen, privé". Ik denk dat koken volgens het "Keynes-recept" dan duur zal uitvallen, als de winsten naar het buitenland of naar de privé blijven gaan. Waar gaat Chili het geld vandaan blijven halen voor al die openbare werken? Ik vrees dat we ons binnenkort aan een scenario zoals in Argentinië moeten verwachten.

Banos Morales ( 1900m) is een toeristisch plaatsje, maar wel erg bescheiden. Onderweg zag ik een slang over de weg kronkelen, volgens Raul zitten er geen giftige slangen in Chili. Omdat we niet juist weten wanneer we terug zullen zijn, spreken we niet af met Raul voor de terugweg. Hij zegt ons dat we gerust de dagelijkse bus van 18 u naar Santiago kunnen nemen.

We vinden de bewuste arriero en laten onze rugzakken achter bij zijn vrouw, die ons verzekert dat hij ze direct te paard zal brengen. Maar zelfs zonder rugzak zien we af: de wijn van oudejaarsnacht is nog niet helemaal uit ons lijf, en de zon schijnt fel. Ik loop in mijn topje en mijn schouders verbranden serieus. Het is even zoeken om de juiste weg te vinden, de kwaliteit van de kaart is inderdaad bedenkelijk. Na een verharde weg, dan een paadje naar omhoog komen we op een grote vlakte met veel groen, bloemen en beken. Die oversteken vraagt wat tijd, en daarna gaat het weer steil omhoog tot rifugio Plantat (3300 m), een hut die zowaar bruikbaar is. Er zijn ook een paar Duitsers.

Na een half uurtje komt onze paardenman eraan en zetten we de tenten. In de woestenij van steen, rotsen en puin is deze plek een oase met gras, bloemen en heldere beekjes, en met een prachtig uitzicht op de omringende bergen.

Een oudere Chileen kampeert aan de hut, blijkt een doorwinterde alpinist en zegt ons meteen dat de kaart op niets trekt, hij zal voor ons een schets maken. De route die op de kaart staat is sinds jaren onbruikbaar, omdat de gletsjer sterk is teruggetrokken. Hij maakt een schets van de te volgen route, en blijkt zelfs een paar woorden nederlands te spreken omdat hij in Vina del Mar gewerkt heeft voor "flamingo-lines", een Belgisch expeditiebedrijf. Hij is erg enthousiast over Belgisch bier en pralines.

Volgens zijn aanwijzingen zullen we nog 2 hogere kampen moeten installeren, en vroeg vertrekken naar de top, want rond de middag hangt daar altijd een grote wolk rond.

Het volgende kamp ligt op 4200 m, we bereiken het via een paadje over morenen, dan over een puinhelling, enkele rotsen en een vrij steil sneeuwveld met penitenten. Omdat men ons verwittigd had dat het op de San José nog veel kouder was dan op de Plomo, hebben we allemaal onze donsvest mee, evenals een gordel, touw en stijgijzers voor de gletsjer, wat de rugzak zwaarder maakt dan voorheen. Onverwacht bereiken we een blokkeneiland in de sneeuw, waar het kamp blijkt te zijn: een echt arendsnest met een mooi uitzicht op de Marmolejo (6108 m) en de Meson Alto (5257m). We hebben goede kampplaatsen en er stroomt wat smeltwater. 4 Duitsers komen hun tent opzetten en gaan dan terug naar beneden, we zijn alleen. ’s Nachts waait het nogal, maar ik slaap toch goed.

Het eerste traject de volgende dag is een erg steile puinhelling met ook wat klauterwerk, dan een sneeuwveld over, een paadje op de rechteroever van de gletsjer, die we oversteken op ongeveer 5000m, om aan de overkant een kampplaats te zoeken tussen 4900 en 5200m. Omdat we volgens de Chileen maar een klein stukje gletsjer over moeten zonder spleten, verstoppen we in een rotseilandje in het penitentenveld wat overtollige bagage: gordel, touw, wat eten, sommigen ook hun stijgijzers.

De steile puinhelling blijkt serieus corvee: erg steil, de rugzak trekt, losse en vallende stenen en af en toe een klauterpartij. Het is wat zoeken om de beste weg te vinden, en eenmaal op de graat boven is de groep weer ver uiteen. Alain, Wim en ik wachten op de 3 meisjes terwijl we wat eten, daarna gaat het verder over een soms onduidelijk, soms goed zichtbaar paadje over de morenen, en af en toe een sneeuwveldje. Alain is voorop en staat te wachten aan de rand van de gletsjer rond 5000 m, ik vraag me af waarom hij er niet over gaat. Toch spleten? Maar dan zie ik het: blauw ijs, en hij heeft zijn stijgijzers beneden gelaten! Aan deze kant van de gletsjer is geen goede tentplaats te vinden. Bovendien hebben wij de tent en het vuurtje en het eten wel bij, maar de brandstof is bij onze tentmaat Ingrid, en die is nog nergens te bespeuren. Wat nu? We zijn niet zeker of Ingrid tot hier komt, we kunnen bovendien hier de tent niet zetten, Alain geraakt niet over de gletsjer…. Dus lijkt een eind terug gaan de enige oplossing. Ik maak mij kwaad: "Wie laat nu zijn stijgijzers achter in de bergen! Wie gaat er nu niet tot op de afgesproken plaats als je maten daar wachten op een deel van het materiaal!". Ik zie er tegen op om een stuk terug te gaan om morgen terug naar boven te komen, ik heb die rugzak dan voor niets omhoog gesleurd! Alain is vastbesloten en gaat terug, zonder de brandstof kunnen we hier toch niet blijven. Ik aarzel en kijk omhoog, het is al 17 u en laat nu juist vandaag er geen enkele wolk rond de top hangen! Nog 600 hoogtemeters, dat moet zonder rugzak toch lukken in anderhalf uur? Het pad is duidelijk zichtbaar, het blijft licht tot 21 u, dus ik heb nog reservetijd… Mijn besluit is rap genomen: ik drink het laatste restje van mijn liter water op, doe mijn donsvest en mijn stijgijzers aan, laat mijn rugzak achter en vertrek richting top. Om 18.30 u sta ik op de top (5880m), met een prachtig uitzicht: voor zover ik kan zien, in alle richtingen: bergen, bergen en bergen. Richting Argentinië (de top ligt op de grens) zie ik flarden van ons volgend doel, de Aconcagua, maar hij zit grotendeels in de wolken. In Chili is het overal helder weer, en ik bedenk dat ik hier gerust meer tijd zou kunnen doorbrengen zonder mij te vervelen: nog bergen genoeg!

Om in de krater van de San José te kunnen kijken moet ik nog wat verder, maar ik bedenk dat ik het maar niet te bont zal maken: op dit uur in je eentje op zo’n hoge berg staan, terwijl beneden 5 mensen wachten is al niet echt volgens de regels. Ik trek nog vlug een foto van mezelf en ga naar beneden. Aan de overkant van de gletsjer staat tot mijn verbazing Alain te wachten. Hilde was naar boven gekomen met de brandstof omdat zij nog de fitste was, de anderen hadden lager de tent opgezet en bleven daar omdat ze last van de hoogte hadden. Maar aangezien er aan deze kant van de gletsjer geen kampplaats was, was zij al terug een eindje naar beneden gegaan. Ik bedenk nog maar eens "Wie gaat er nu zonder stijgijzers in de bergen?", maar zeg niets en daal mee af met Alain. Aan de tent gekomen moet het er toch uit: "Verdorie, als je iets afspreekt hou je je daaraan, en wie laat er nu in godsnaam zijn stijgijzers achter als je naar 5000 m gaat? Ik heb mijn rugzak nu voor niets zo hoog gesleurd!" Een benepen stemmetje van Ingrid uit de tent: "Ja maar, wij hebben koppijn". Alsof ik dat niet heb, nu! Achteraf blijkt mijn verwijt nog onterecht, want Hilde had haar stijgijzers wel bij. Waarom zij dan de gletsjer niet is overgestoken, blijft mij tot vandaag een raadsel.

Bij de tent van Wim is met geen mogelijkheid nog een plek voor een tweede VE25, dus we zien ons verplicht nog wat lager te gaan. We zeggen nog: "Laat de fitste meegaan met ons, of anders iemand die morgen niet omhoog wil gaan", en vinden een plekje zo’n 100 m lager, dat we verder moeten uitgraven en vergroten om onze tent er te kunnen zetten. We wachten vergeefs op onze derde tentgenoot, ik zit nog lang te koken in het donker en ijs te smelten bij het licht van de koplamp, maar er daagt niemand op. Alain zet mijn stijgijzers op zijn maat om morgenvroeg omhoog te gaan. Uiteindelijk kruipen we dan maar in onze slaapzak, hopend dat de anderen met 4 in de tent liggen en er niet iemand buiten ronddwaalt.

Wij zijn blijkbaar de enige mensen op deze berg.

Banos Morales’s Morgens vertrekt Alain vroeg en wekt de anderen als hij voorbij hun tent gaat. Ze vertrekken alle 4, maar Ingrid en Marijke moeten het al snel opgeven wegens te veel last van de hoogte. Alain gaat naar de top en komt op de terugweg Hilde en Wim tegen, die omhoog gaan. We spreken af om terug te gaan tot kamp 1 (Plantat) en mekaar daar te zien. De terugweg verloopt vlot en we zitten te genieten van het gras, het heldere beekje en de zon, als de 4 anderen er aan komen. Spijtig genoeg hebben Wim en Hilde de top niet gehaald, Wim is over zijn "kotsgrens" gegaan en Hilde had erg veel last van de kou. We bekomen allemaal van de tocht en de misverstanden worden uitgepraat. Blijkbaar hadden Wim en Marijke bij het bespreken van het plannetje enkel naar de hoogte gekeken, en er niet op gelet dat de kampplaats aan de overkant van de gletsjer was. Alleen Ingrid en Alain hadden hun stijgijzers beneden gelaten. Iedereen voelt zich terug goed, en het optimisme keert terug.

De volgende dag gaan we naar Banos Morales, waar wel bier en eten is, en zelfs "Banos": thermale baden met lauw water, roestkleurig en zwavelrijk. Het prikt aan onze verbrande huid en droge lippen, maar het is zalig! ’s Avonds nemen we de bus naar Santiago, die bij het vertrek met de bagage op het dak in de bomen blijft hangen, waardoor de draagriem van de rugzak van Hilde scheurt.