Op ski door Berner-Oberland

De Haute Route (Chamonix-Zermat) was ons tegengevallen.  Natuurlijk is de winterse Cirque d’Argentiere zowat het indrukwekkendste winterlandschap dat je in Europa kan doorkruisen, is het uitzicht op de reuzen van  Wallis in de opgaande zon vanop de Tête Blanche onvergetelijk. En is de afdaling van de top van de Mt. Blanc gewoon de natte droom van elke toerskiër.  Maar 10 dagen lang in een spoor lopen getrokken door 10-tallen andere toerders, afdaling in hellingen die helemaal kapot geskied zijn, slapen op matrasjes op-en-onder tafels in overvolle hutten, levensgevaarlijke situaties op steile passen (té veel mensen zonder alpiene ervaring, geharrewar van touwen en crampons) en een Vallée Blanche die meer een skipiste is dan een wilde gletsjer, deden ons besluiten om in onze volgende tocht wat meer avontuur te steken.

Een lang novemberweekend in het heerlijke Natuurvriendenhuis van Rosenlaui en een plots ingevallen winter hielpen ons bij de keuze.  Vanop de Schwarzhorn  genoten we van een adembenemend zicht op een rij prachtige, bloemsuiker-witte bergen ten zuid-westen van ons:  Wetterhorn, Schreickhorn, Eiger, Mönch, Jünchfrau, … de reuzen van Berner Oberland…  Ons besluit stond vast: volgende winter trekken we ons eigen sporen door de flanken van deze kanjers.  Let there be snow!  

OPWARMEN…

Wij hebben er al een nachtje in de Muthornhütte opzitten (unieke ligging op een rotseiland midden de gletsjer die het Lauterbrunnendal afsluit) en een ochtendlijke inlooptocht als de zon ons inhaalt net onder de Petersgraat.  Lekker om even te staan uitdampen in het winterzonnetje op dik 3000 meter. Theetje drinken, vellen af, bindingen strak en we trekken onze eerste bochten op de hard geblazen sneeuw.  Valt weer niet mee: rugzak toch te zwaar, schoenen te knellend, skis als altijd te lang en ’t manneke te stram… Maar eens opgewarmd en de sneeuw wat lichter komt de schwung er in.  Maar ’t is opletten geblazen: we moeten rond een ondergesneeuwd spletengebied en dan de juiste doorgang vinden voor de afdaling in het nog in de schaduw gelezen Lötschentall.  Die relatief smalle couloir moeten we één voor één door: m’n Zwitserse maats Hansjörg en Werner huppelend als sneeuwkonijntjes in korte bochtjes, ik als Flachländer voorzichtig spitzenkerend om niet met klikken en klakken (en die veel te zware rugzak) de dieperik in te totteren…

Maar eens hier door kan de lol niet meer op en worden we alleen nog opgehouden als onze ademhaling te snel wordt en onze dijspieren op springen staan.  Ter hoogte van de Pfafleralp, helemaal beneden in ’t dal ‘tanken we bij’: theetje drinken, hapje eten en vellen weer op de skis.  Vanaf hier gaat het gestaag terug bergop: zo’n dikke 1000 meter stijgen naar de nu nog onzichtbare Hollandiahut.

De helling is eindeloos lang en monotoon, een perfect ronde kom uitgeschuurd door de eeuwenlange werking van de nu langzaam verdwijnende gletsjer, gelegen tussen twee machtige bergketens.   Brede lawinekegels die vanuit de reusachtige wanden boven ons, tot over het midden van valleibodem reiken dwingen ons uiterst links te blijven.  Onvrijwillig kijk ik of het led-lampje van mijn LVS (*) blinkt. Piep-piep-piep…  Fritz Moravetch had een mooie spreuk boven de haard hangen: ‘Die Bergen sind Stumme Meister, und machen stille Schüler’.  Stil zijn we, muisstil, met die indrukwekkende muren van sneeuw en ijs links, rechts en vooral boven ons…

De mooi gelegen Hollandiahut delen we net als gisteren de Muthornhut met slechts een tiental toeskiërs.  Een bont gezelschap Zwitsers waarmee we gezellig ervaringen wisselen: wij zijn benieuwd naar de condities aan de andere kant van de pas, zij horen graag hoe het ons vandaag verging en enkelen zijn verrukt als ze horen dat de Petersgraat er goed bij ligt.  De Wirt is overvriendelijk, verwelkomt ons met warme thee en vraag of ’t we polenta lusten.  Wat een verschil met de hutten tussen Chamonix en Zermat, waar het bijna letterlijk vechten is voor een plaatske en waar de bediening à la Française is, onbeschoft  dus.

Voor het avondeten hebben we nog tijd om in de ondergaande zon ons doel voor overmorgen te bestuderen: de Aletshhorn.  We kijken pal in brede noordwand die met zijn overhangende gletsjerbastions bijna onbeklimbaar lijkt.  Bovendien verraden lawinesporen dat de reus nog kuren heeft ook.  Nee, in de winter is dat geen ‘spek voor onze bek’.  Maar elke reus heeft zijn zwakke plek, elke Goliat is te verslaan door David: tamelijk ver links in de wand loopt een vrijwel volledig sneeuwbedekte, maar nog goed zichtbare graat: de Haslerrippe, zo genoemd naar een potige Zwitser (Hasler, dus) die ‘m in 1904 (!!) als eerste beklom.  Als die gast dat in die tijd kon, dan moeten wij dat toch ook kunnen… 

Maar eerst nog wat hoogtegewenning: we maken nog een dagtocht met lichte rugzak over de Mittaghorn, de huisberg van de Hollandiahut, naar het één van de mooiste belvédères van Berner Oberland, de Ebnefluh.  Amper een enkele uren sporen, maar met een overweldigend uitzicht over een groot stuk van de rest van onze tocht en een perfecte helling voor een vlekkeloze afdaling.  De hele dag zijn onze ogen gericht op de witte reus waar we morgen tegen op gaan: hoe hoog we ook klimmen vandaag, ‘Goliat’ Aletsjhorn blijft ons met zijn nek aankijken.  Verdomd die berg is hoog… Die avond is alleen de Wirt onze tafelgenoot.  Als we zo vroeg niet moesten opstaan hadden we wel de hele nacht kunnen blijven luisteren naar zijn in zangerig Schwitzerdutsh vertelde verhalen van tochten uit zijn jonge jaren.

DIE HOSE VOLL…

Skiën in het maanlicht is absoluut fabelhaft: het is wonder hoe haarscherp de zichtbaarheid is en hoe mooi het contrast tussen de inktzwarte hemel, met z’n miljoenen sterren, en de door de volle maan beschenen ijswanden van de bergen links en rechts van ons.  We laten ons vanuit de Lötschenlücke in brede bochten rustig onder de machtige noordwand van de Aletshhorn door glijden, genieten van de stilte die enkel verstoord wordt door het knisperen van de hard bevroren sneeuw onder de snijdende skis, en turen voor ons uit naar de markante pijler die we sinds gisteren in ons vizier hebben.  Hoe dichter we komen, hoe trager we skiën: gisteren maakten we onszelf nog wijs dat het wel zou meevallen en dat die Haslerrippe  ‘toch niet zo steil zou zijn als ie er van hier  – toen stonden op de top van de Ebneflue – uitziet’.  Maar nu we er met onze neus voor staan en we de 700 m hoge besneeuwde graat in kikvorsperspectief in ons opnemen begint de adrenaline toch te pompen: een beetje uit goesting om er in te vliegen, maar ook uit pure schrik… D’er ligt precies toch nog veel sneeuw in… Herr Hasler stijgt in onze achting…

Onze tactiek is snel afgesproken: we klimmen elk voor zich, sporen om beurten en zullen pas inbinden wanneer we aan heikele passages komen.  We klimmen in nét voorbij de eigenlijke rotsgraat, waar een mooi egale sneeuwhelling naar het bovenste stuk van de graat leidt.  We weten dat we op dit uur van de dag en in deze sneeuwcondities nog veilig zijn voor lawines,maar beseffen goed dat er boven ons tonnen-zware serracs hangen en dat we op halve hoogte toch best de graat in kruipen.  Pas daar zijn we echt veilig.  Het klimmen gaat prima: met twee ijshouwelen en messcherpe crampons is de hard-bevroren sneeuw als een ‘ladder’ om op te klimmen.  Maar wel een hele lange…  En onze rugzakken (met de skis er nu opgebonden) wegen natuurlijk ook meer dan een ‘schoofzakske’… Maar we schieten goed op, lossen mekaar regelmatig af bij ’t treden trappen en klimmen zo als een treintje gestaag omhoog in de nog steeds maanbeschenen wand.

Het daglicht breekt pas door als we eindelijk naar rechts de graat in traverseren. Op ongeveer 3400 m vinden we een sneeuwvrij geblazen rotsplatformpje, perfect voor een uitgesteld ontbijt.  Bij ’t drinken van de hete thee, beseffen we hoe koud het wel is: bé-re-koud.  Gemorste thee bevriest meteen in onze snor en baard.  Op de graat is het delicater klimmen: onder de sneeuwlaag voelen we rotsen waarop onze crampons minder houvast bieden.  Waar de rotsen helemaal vrij zijn besluiten we te zekeren: de graat is niet al te steil en de moeilijkheid niet hoger dan 4, maar met handschoenen aan, ijsbijlen en crampons is dat toch net iets anders dan klimmen op zonbeschenen rotsen.  Net als we ’t een beetje gewoon zijn worden we opgeschrikt door een gedonder dat ons (bijna) van onze sokken blaast: op minder dan 100 meter schuin opzij van ons, heeft zich een reusachtige sneeuwmassa in beweging gezet … We houden ons instinctmatig vast aan onze ijsbijlen dicht in de sneeuw/rots en kijken over onze schouders hoe een treinlading sneeuw met bulderend geraas de helling afdondert waar wij amper een paar uur geleden nog doorkropen…  Gelukkig zitten we op de graat: een wolk van stuifsneeuw over ons heen, een duidelijk verhoogde hartslag en bijna die Hose voll ,is het enige gevolg dat wij van deze lawine overhouden…  Van  ons klimspoor lager op de wand zal wel niet veel meer overblijven.

De rest van de klim blijven we scharf an die Kante: wij wijken geen meter mee af van het scherpste van de graat, die nu helemaal uit beenharde firn bestaat. Ons ijstuig doet hier dienst, de sneeuw piept als een krijtje op een schoolbord als we de punten van onze crampons erin haken.  Om een deadmen in de sneeuw te krijgen hebben we onze hamer nodig. 

Deze keer vieren we de ‘zonsopgang’ op 3800 meter: de markante Haslerrippe heeft zich hier opgelost in de brede NO-graat die de machtige noordwand van de Aletschhorn afgrenst van zijn overigens even indrukwekkende (maar iets minder steile) zuidwand.  Zoals steeds op deze hoogte geeft het winterzonnetje de illusie van warmte, maar in werkelijkheid doet het ons weer realiseren hoe koud het hier is, zeker nu er een briesje opsteekt vanuit het westen, knal in ons gezicht.  De sanitaire stop is kort, al was het maar om geen ‘vorstschade’ op te lopen.

Een brede, zacht klimmende brede helling brengt ons over beenharde sneeuw naar de topgraat, waar we nog even uit onze pijp mogen komen en zorgvuldig moeten zekeren om veilig over de volledig verijsde laatste honderd meter naar de top te geraken.  M’n Zwitserse maats geven een jodelconcert, ik hang mee den onnozelaar uit en verstoor enthousiast de ‘eeuwige rust’ op 4195 m: we zijn content van onze klim en genieten van het overweldigende uitzicht, 360° rondom ons.  Meer dan 1000 meter onder ons zien we ook duidelijk onze slaapplaats voor vannacht, het Mittelaletshbivak: jodelaitiitoe-oe-oe-oe!!

SKIFAHREN IST KNIEFAHREN!

De weg er naar toe laat zich voor mij kort samenvatten: vallen en opstaan.  Op de brede rug van de noord-oost-graat is het nog volop genieten: ook al is hier vallen géén optie met links en rechts diep-gapende afgronden, onze nog altijd messcherpe skis snijden heerlijk in de harde sneeuw.  Je zou je bijna op een zwarte piste wanen, maar dan een op 4000 meter hoogte…  Maar dan duiken we rechts die diepte in, eerst nog een egale, spalten-vrije wand die we één voor één nemen, waarbij m’n Zwitserse makkers nog eens tevergeefs proberen mijn skitechniek te verbeteren bij middel van demonstraties en corrigerende opmerkingen.  Tevergeefs: ik ben en blijf een Flachländer , die wel overal naar beneden komt, maar daarvoor meer teert op z’n stevige bilspieren dan op een (overigens nooit aangeleerde) skitechniek…  Maar dan wordt het pas écht plezant…: we binden in om veilig de spaltenzone door te skiën.  Héél leuk is dat, vooral voor mijn maats.  Zij genieten te volle van deze bijzonder steile afdaling tussen de serracs en spalten van de Aletsch-zuidwand: die gasten zijn geboren met skis onder hun voeten. Ik niet.  Daarom mag (sic) ik als eerste, vooraan in het touw en bepaal ik (noodgedwongen) het tempo.  Hansjörg – een perfect skiër- vloekend en tierend dat ’t hoog tijd is dat ik eindelijk eens leer skiën volgt, en achteraan in het touw Werner die zich  te pletter lacht met zowel mijn ‘bijzondere’ skistijl als met Hansjörg zijn gevloek.  Een filmpje van ons trio zou niet misstaan in een slapstik van Comedy-Capers.  ’t Vat is af als we net voor het donker onze skis tegen de muur van ons bivakhutje zetten.  Hier kan ik dan weer wat punten verdienen door extra m’n best te doen bij ’t sneeuwsmelten en koken (al is ook dat laatste niet echt mijn specialiteit…).  Honger is gelukkig de beste saus: nà zo’n super bergdag smaakt zelfs mijn spaghetti-uit-pakskes!  Mahlzeit!

De volgende morgen genieten we pas ten volle van de pracht van het landschap: de kleine (maar heel gezellige) bivakhut ligt als een echt adelaarsnest op een rotsige uitloper van de honderden meters boven ons uittorende Dreieckhorn-wand, quasi midden een extreem wilde gletsjer vol torenhoge serracs en ontelbare spalten die de reusachtige witte gletsjer kleuren met alle tinten van wit en blauw.  Hoog boven gletsjer waaiert een sneeuwpluim van de top van de Aletshhorn de ochtendzon in.  Boven ons is de lucht weer staalblauw.   Onder ons hangt een donzige wolkenlaag die het zicht op de vallei ons aan onze ogen onttrekt.  Als we niet nog zo’n hele tocht voor de boeg hadden, zou ‘k hier gerust een paar dagen kunnen zitten.  Mittelaletsjbivak, een adresje om te onthouden…

We geloven de kaart en vertrouwen op de dikke laag sneeuw die er vanaf hier ligt: we vertrekken on-ingebonden en skiën vlotjes bochten makend de gletsjer af.  Niet te geloven, maar ‘k krijg zelfs een complimentje van Werner, die meent te zien dat zijn ‘lessen’ van gisteren – skifahren ist kniefahren ! - toch iets uitgehaald hebben.  Ik geniet van de aanmoedigingen, maar besef dat het gewoon beter gaat omdat de helling hier maar half zo steil is als gisteren…

Als we de erwtensoep induiken is de lol echter weer over: we hebben de met sneeuw bepoederde rotswanden links en rechts langzaam dichterbij zien komen, en ook al zien we ze nu niet meer, de dichte mist en het gedempte geluid geven ons het beklemmend gevoel dat we in een trechter skiën. We rütchen behoedzaam naar beneden, en vertragen nu en dan als de donkere rotswand weer door de mist schemert of een gletsjerspleet ons onverwacht de weg verspert.   Hoe goed de Zwitsere kaarten ook zijn, we hebben al onze oriëntatiezin, en vooral onze hoogtemeter en kompas nodig om de juiste ‘afslag’ naar de Aletsjgletsjer niet te missen.  We leggen onze vellen weer op en binden aan.  Vanaf gaat hier gaat het in ‘vals-plat’ langzaam omhoog.  De zichtbaarheid is barslecht: we zien amper onze voorste man, die op zijn beurt alle moeite van de wereld heeft om een goed spoor te trekken door enkele verraderlijke – want niet te overziene – spaltengebieden.

 

HET (HUTTEN-)LEVEN ZOALS HET IS…

De Konkordiaplatz is niet te missen: ook al zien we ze niet in z’n geheel, je voelt dat je er bent, want hier is de gletsjer zo plat als een vijg.  Eén groot gletsjer plateau van goed 4 km², waarop kris-kras sporen lopen, want dit is echt hét grote kruispunt van Berner Oberland, hethart van dit majestueuze  bergmassief.  Op weg naar de Konkordiahütte redden we en passant nog een Duits echtpaar van een gewisse bevriezingsdood (…) : GPS in de hand staan ze rondjes te draaien en ruzie te maken: ‘Es muss hier sein, ich bin es sicher!!’ ‘Nein, dass ist doch klar: hier ist keine Hütte! Da hasst du wieder die Berechnungen falsch gemacht!’ ‘Dass Gerätt sagt es soll hier sein!!’. ‘Du und ein Gerät!’  Tja, de Konkordiahutte vinden blijkt niet vanzelfsprekend te zijnmet een GPS: toch niet als je niet gemerkt hebt dat de hut niét vlak aan de gletsjer ligt, maar wel ettelijke tientallen meters erboven (en dus totaal onzichtbaar wegens de mist en de invallende duisternis: zelfs de ladders er naartoe zijn aan het zicht onttrokken want de onderste hangt wegens het terugtrekken van de gletsjer nu al weer een dikke 25 meter boven ons in de wand….  ‘Kommen sie nur mit, hierlangs den Felsen hinauf…’   We trappen als afsluiting van een niet al te zware tochtdag toch nog even op onze adem: als we onze skibotten sneeuwvrij kloppen bij de ingang van de hut, staan we in’t zweet van de kuitenbijter langs de rotsen en de eindeloze ladders en metalen trappen.

Deze hut is het grootst mogelijke contrast met onze kleine, oer-gezellig bivakhut van de vorige nacht: met z’n 150 plaatsen en z’n super georganiseerde catering is het meer een hotel dan een hut.  De’r is zelfs een volledig uitgerust ski-kot waar we dankbaar gebruik van maken om onze skikanten terug aan te scherpen en de zolen nog eens goed te waxen.  Morgen kunnen we weer glijden!

Na het flesje wijn, gekregen van het dankbare Duitse koppel, ontvluchten we de drukte van de eetzaal.  Al is het in het Lager ook niet echt rustig: iedereen die in Berner Oberland op tocht gaat passeert langs deze hut, dus de beddenbak ligt echt helemaal vol.  De zware zweetlucht wordt enkel overtroffen door de penetrante geur van het onbevangen scheten latend alpinistenvolkje.  Hoe zou het toch komen, vragen we ons wel eens af, dat er zo weinig meisjes/vrouwen aan alpinisme doen…?  Maar dan ‘klaart de lucht op’: een prikkelend parfum wekt het man-volk uit z’n eerste hazenslaapje en hier en daar herbegint het gestommel en het geritsel met plastiek zakjes.   We worden nog getrakteerd op entertainement ‘op hoog niveau’ (zo’n 2900 meter): in het dansende licht van enkele koplampen voeren twee deernes een - allicht door hen ongewilde, maar door ons wel gesmaakte - striptease uit.  Meer moet da ni zijn, zo net voor het inslapen. Gute Nacht, Freunde!

 

Der Weg ist das Ziel…

Het weer is prachtig: de nevel is helemaal weggetrokken, de hemel strak blauw en het gletsjerplateau onder ons verblindend wit.  De Konkordiaplatz toont zich nu in al z’n majesteit: vanop het terras van de hut overschouwen we de immense vlakte waar gletsjers uit drie windstreken vanaf kloeke vierduizenders samenstromen, en vandaar in een brede trage stroom naar het zuiden, richting Wallis vloeien.  Maar wij willen nu eerst hogerop, pal noord.  We hebben tijd vandaag en overleggen bij een koffietje in de heerlijke open lucht onze plannen: de tientallen stipjes die we nu al vanaf het Jungfraujoch naar beneden zien schuiven, doen ons snel besluiten om niet langs daar omhoog te gaan, maar wel een ommetje te maken langs het Ewigschneefeld.  Voor de naam alleen al zou je langs daar gaan…  Onze keuze blijkt gegrond: al meteen na ’t oversteken van de Konkordiaplatz is het weer volop avontuur: een chaos van spleten en serracs lijkt ons de weg naar hogerop te versperren.  Inbinden en voorzichtig een doorgang zoeken is weer eens de boodschap.  Het kost ons meer dan een uur op de ijsval door te komen, maar het loonde de moeite.  We zijn er zeker van dat, zolang het niet meer sneeuwt, er nog anderen onze sporen door het blauw-witte labyrint zullen volgen.  Eens op het Ewigschneefeld krijgen we de wind (een ijzige noordenwind) van voor en de zon (die nu pal in ’t zuiden staat) vanachter.  Het is vriezen en bakken tegelijk: de wind snijdt in ons gezicht en beneemt de adem, de zon en de inspanning van het stijgen doet ons zweten.  Als we in de namiddag op ons hoogste punt voor vandaag komen, op de uitloper van de oostgraat van de Mönch, dampen we als trekpaarden.  De wind heeft zich gelukkig gelegd, en we kunnen bij onze lunch genieten van de zon en een – jaja: ik val in herhaling… - weer eens adembenemend uitzicht rondom.  Achter ons de noord-oostwand van de Mönch, ons doel voor morgen.  Voor ons een sneeuwgraat die in niéts moet onderdoen voor de beroemde Bianco-graat: de Fieshergrat, die naar de gelijknamige top enkele kilometers verderop leidt.  We ontwaren een vers spoor in de enorme westflank van de berg, om de top heen naar het Fiescherzadel: daar plannen we over twee dagen ook over te steken.  Maar meest indrukwekkend is de diepte onder ons, de wildste der wilde gletsjers ingesloten tussen de donkere zuidwand van de Eiger – in het scherpe licht zien we zelfs de Mittelegi-hut op de gelijknamige graat liggen! – en de al even afschrikwekkende Ochs- en Fiesherwand. In de verte als bekroning daarboven: de besneeuwde toppen van de Schreckhorn…‘Laat ons hier een tent bouwen’ , zei Abraham…   Het moeten die taaie kerels die langs hier vroeger vanuit Grindelwald naar boven sjokten ook gedacht hebben, want op een rotseiland wat dieper dan onze pick-nickplaats hebben ze de Berglihut gebouwd: destijds een onmisbaar steunpunt voor de ‘verovering’ van de 4000-ders van Berner Oberland, nu in onbruik geraakt wegens de verwildering van de gletsjer, en vooral wegens de  makkelijke toegankelijkheid van dit massief sinds de ingebruikname van het treintje naar de Jungfraujoch.

Géén hedendaags klimmer die zal verzaken aan het comfort van dit mechanisch hulpmiddel om aan bergsport te doen: tenslotte brengt dit treintje je in minder dan 2 uur van de vallei ineens naar 3500 meter.  Zoals er ook nog maar heel weinigen zijn die in Chamonix niet de lift naar de Aig. Du Midi of het treintje naar Montenvers niet nemen op weg naar hun beklimmingen.   Tenslotte komen we ook niet meer met de fiets naar de bergen gereden zoals in de ‘goeie’ ouwe tijd.   Maar toch stemt het tot nadenken.   Zouden wij deze bergen ook beklimmen zonder deze liften? Hebben we een berg wel echt beklommen als we ons eerst 3000 meter naar omhoog laten schieten?  Wat is het verschil met ons naar boven laten dragen? Aan ieder de keuze, in de bergen is vrijheid nog troef.  Maar er zijn grenzen.  En iedere klimmer wéét gewoon dat het een ander gevoel is als ie ergens echt op eigen kracht opgeraakt.  Op eigen kracht dat is te voet, je eigen spullen dragen, zonder hulpmiddelen als zuurstof of andere doping.  Kunnen die 10-tallen die dagelijks de Jungfrau bestormen, zeggen dat ze een 4000-der beklommen hebben, als ze vertrokken zijn vanuit de Mönchjochhütte, waar ze de dag voordien met het treintje geraakt zijn zodat er nog amper 1500 te ‘klimmen’ valt? Of nog een beetje hoger: kunnen die 1000-den die ieder jaar de Kilimanjaro opstrompelen met recht en rede triomfantelijk hun topfoto maken als ze al hun eten en rugzakken hebben laten sleuren door dragers? En hoeveel mensen hebben er al echt een 8000-der beklommen, ik bedoel: op eigen kracht, zonder kunstmatige zuurstof…?  Onze drang naar records, ons  obsessie voor cijfers (die magische cijfers 4000, 5000, …8000) dreigen ons ver weg te brengen van waar het in alpinisme echt om te doen is: genieten van de bergen, met respect voor die natuur, een natuur die meestal sterker is dan ons.  En je hoeft geen super-talent als Messner of Gerlinde Kaltenbrunner – de eerste man respectievelijk vrouw die compromisloos het moto Der Weg ist das Ziel in de praktijk op alle 14 8000ders toepasten - te zijn om te kiezen voor deze benaderingswijze.  Alleen betekent het voor gewone mensen - zoals ik en de meeste alpinisten - dat we onze tijd moeten nemen en tevreden zijn met wat we kunnen op eigen kracht (zo weet ik i.c. na een letterlijk adem-benemend avontuur op bijna 7000 meter dat daar mijn limiet ligt om zonder hulpmiddelen  - zuurstof dus - te geraken).

Maar genoeg gefilosofeer: de Berglihut ligt al goed in de schaduw en wij willen vanavond vroeg onder de wol.  De korte maar steile afdaling er naartoe is een droom: heup-diepe poedersneeuw, licht als dons, waarin we langzaam swingend afdalen.  We zouden bijna wensen dat de hut nog wat dieper lag…

Ons onderkomen ligt er verlaten en ijskoud bij, geen spoor van leven: we moeten graven om de deur sneeuwvrij te maken.  Maar zoals te verwachten in een SAC-hut ligt het hout voor de stoof gestapeld, en de dekens netjes opgeplooid in de beddenbakken.  Omdat we niet echt moe zijn van de relatief lichte dagtocht, amuseren we ons nog een tijdje met uitgebreid koken, afwassen en snuisteren in de huttenboek: door het zeer onregelmatig bezoek in deze hut gaat die jàren terug en geeft die ons een mooi inzicht in een stukje alpine geschiedenis.

 

DE STOMSTE BERG VAN DE ALPEN…

We vertrekken in het holst van nacht: de aanloop naar de voet van de oostwand van de Mönch is net lang genoeg om onze stijve spieren op te warmen.  De sneeuw lijkt ons goed: alhoewel amper een paar dagen geleden gevallen, heeft de zon de voorbije dagen z’n werk gedaan en ervoor gezorgd dat hij redelijk goed gezet is.  Maar we zijn behoedzaam en houden ruim afstand.  Spleten zijn er toch niet, alleen een joekel van een randkloof die we gelukkig via een lawinekegel kunnen oversteken.  Tijdens de klim voelen we de vruchten van onze acclimatisatie: ten slotte zijn we nu al bijna een week onderweg tussen 3- en 4000 meter.  De wand - of zeg maar: wandje , want amper 300 m echt klimmen - is een stukje genusskletterei: mooi egaal opgaand, en alleen de laatste 2 touwlengtes echt steil, onze neus bijna tegen het ijs.  En dat in een heel hoogalpine ambiance, want we hangen hier bijna 3000 m boven de vallei waarvan we de lichtjes in de diepte onder ons zien.  Hoe stoer we ons hier ook mogen voelen met onze vervaarlijke ijstuigen aan voeten en handen, ook hier was onze vriend Hasler (jawel, die van de Haslerrippe op de Aletsjhorn) in 1904 al onderweg.  Voor de goede verstaander:  dat was dus met léren nagel-schoenen, houten pikkel, floeren broekske en loden potske…  Van een nylon-touw hadden ze nog niet gehoord, laat staan van een anker-pikkel, ijsschroef of zekeren tout-cours...  Op de top kijken enkele andere klimmers die langs de klassieke zuid-oost graat omhoog gekomen zijn een beetje raar naar ons trio dat met skis op hunnen bult over de kam gekropen komt: Where the hell do you come from…???

De Mönch is menig opzicht een speciale berg.  Beetje onbekend tussen de twee beroemde toppers van Berner Oberland: Jüngfrau en Eiger.  Maar anderzijds ook erg populair bij 4000-der-jagers: het is één van de weinige zo hoge bergen men op 1 dagen op-en-af vanuit het dal kan doen, mits gebruik makend van het treintje naar het Jungfraujoch van waar de top in minder dan 3 uur langs de normaal-route te bereiken is.  Maar deze berg heeft ook enkele echt leuke routes: ‘ons’ noord-oost-wandje beschreef ik hierboven, maar de meest elegant manier om deze 4000-der te beklimmen is zonder meer de spectaculaire, en toch niet eens zo moeilijke route via de Nollen.  En voor wie het dan toch echt moeilijk (en gevaarlijk) wil, die kan ook nog de noordwand proberen. Eén blik hierop zal je leren dat je daarvoor niet alleen een hele goeie (en zeer snelle) klimmer moet zijn maar ook veel geluk moet hebben dat er geen ijsbalkon op je dondert…

De Zwitsers noemen de Mönch gewoon de stomste berg van de alpen, omdat hij al een paar honderd-duizend jaar naast een Jungfrau ligt, en die Jungfrau nog altijd Jungfrau is …  Met zulke licht aangebrande grapjes kunnen de preutse Zwitsers (en de zo mogelijk nog preutsere Appenzellers als Hansjörg en Werner) hartelijk lachen.  De andere cordée op de top kijkt een tweede keer verwonderd als ze de twee Zwitsers van ons gezelschap daar bulderend van het lachen op het smalle sneeuwgraatje zien billenkletsen…

De afdaling wordt ons makkelijk gemaakt: de gidsen van Grindelwald hebben op de graat om de 4O meter een grote metalen zekeringsstaaf geplant. Hansjörg en ik kiezen deze weg, dalen het steilste stuk main courrant af en vervolgens elk voor zich slalommend op onze skis.  Werner heeft nog veel energie (en skitechniek…) over, een kiest voor een nog snellere weg: hij duikt met veel bravoure en tot ontzetting van nog enkele moeizaam naar boven klimmend cordées in de 45° steile zuid-wand!  Aan de voet van de wand wacht hem een enthousiast applaus van een bus vriendelijk lachende Japanners.   We houden pit-stop in de Mönchsjochhut: een gigantisch bouwsel dat als een dikke spin tegen de bergwand hangt. ’t Is middaguur en de hut is tjokkevol.  Geen wonder, want vanuit het Jungfraujoch (treintje) ben je hier langs een met sneeuwkat gewalst pad in minder dan een half uur.

’t Is hier de ideale plek om wat aan sociale psychologie te doen: mensjes kijken (en commentaar geven) is altijd leuk, zowel vanop een zuiders terrasje, als hier in deze micro-cosmos  op 2800 meter.   Bij verorberen van een overheerlijke Apfelstudel (mit Sahne!) observeren we het unieke schouwspel van de alpine pikorde dat zich voor onze ogen ontrolt.  Onderaan staan natuurlijk de toeristen: bleek om de ogen, lippen en neus nog vol witte zonnecrème en schichtig om zich heen kijkend naar al het machismo rondom hen.  Opvallend veel van hen zijn Aziaten.  Die zijn hier bijna allemaal gekomen met een gids, hebben vanmorgen vroeg vanuit Grindelwald het treintje naar de Jungfraujoch genomen, daar eens goed gekotst (ziek van de hoogte),  en vervolgens in zijn spoor als zombies naar deze hut gekomen, om er vannacht geen oog dicht te doen en morgen als het goed gaat tot op het zadel van de Jungfrau te strompelen (de top halen er maar weinigen, want de gids wil wel op tijd terug zijn voor de laatste trein terug naar Grindelwald) .  Net daarboven staan de Schusters: je herkent ze aan hun dure uitrusting en splinternieuwe kledij.  Schuster is één van de vele Duitse reisbureaus die rekruteren in München en andere welstellende steden van Teutonenland.  Zij kennen zelf niets van de bergen, hebben geen tijd om zich goed voor te bereiden (behalve 2 keer per week met hun 4x4 naar de fitness…) maar betalen graag een gids die voor hen vooral reisleider is:  hij is hun god, maar eet (en drinkt) wel uit hun hand.  Velen van hen zitten te knoeien met  elektronische gadgets, maar de bovenkant van de kaart kennen ze niet uit een onderkant. Bij een fles veel te dure wijn bespreken ze zenuwachtig hun plannung voor de volgende dagen.Vervolgens komen de alpinisten, waar wij onszelf graag toe rekenen.  Groepjes van 2-3-4 mannen (en een zeldzame vrouw die er overigens ook als een man uitziet) die gewoon onder kameraden op pad zijn en een zelfstandige tocht ondernemen.  Zien er dikwijls behoorlijk moe uit (want hebben altijd té grote ambities…) en zitten op hun geld (eten dus steevast spaghetti).  Eindeloos sippend aan hun thee (ook goedkoop),  zitten ze verwoed topo’s en kaarten te bestuderen.  Bovenaan de pikorde staan Bergführers, een kaste apart.  Ze  hangen wat rond aan de toog of bij mekaar en kijken nauwelijks op het voetvolk onder hen neer (behalve als één van de Schusters iets vraagt: klant is koning, ook hierboven…).  Enkelen hebben duidelijk last van het rookverbod in de hut, want lurken verwoed aan hun uitgedoofde pijp.  Ook zonder hun insigne zie je dat ze gids zijn: hun schoenen zijn vergroeid met hun kromme benen, hun vingers even dik als een ouderwets henneptouw, als enigen hebben zij géén micky-mouse brilletje in rond hun ogen gebrand, hun gezicht – voor zover niet bedekt met onverzorgde baard - verweerd en vol met rimpels als spalten.  Ik durf betwijfelen of zij hier in deze hut überhaupt nog kunnen genieten van hun droom(?)-job.

Van de Wirt krijgen we nog wat recente weers- en vooral sneeuw-informatie (het blijft mooi en de lawinenschaal stabiliseert op 3: niet geheel ongevaarlijk, maar mits de nodig voorzichtigheid  te doen) en na nog eens goed drukken op een echt toilet én een kattewasje aan een zuinig lekkende warm-waterkraan (toch lekker na een week stinken), schieten we ons skis weer aan en duiken we diepte in (de poedersneeuw is er nog steeds, zij het al iets minder diep dan gisteren) naar ons geliefde Berglihutje.

 

DE SCHWUNG ER IN (en eruit)

De volgende dag is een super-skidag.  Eerst gezapig dalend over het Ewigschneefeld.  Proberen niet te veel hoogte te verliezen, over het Fiesherjoch om langs een omweggetje (de klassieke noord-graat naar de top leek ons niet te doen wegens te veel verse sneeuw) op de top van deze mooie uitzichtberg te geraken.   De Fiesherhorn is nog een van die prachtige belvédères die Berner Oberland rijk is.  Omdat hij midden in het massief vrijwel vrijstaand gelegen is hebben we een rondom-rond panorama: de Wetterhörner (met z’n ondergewaardeerde noordwand), de Schreckhorn (die ook van hieruit z’n naam alle eer aandoet), de Finsteraarhorn (hoogste berg van de Berner Oberland, het sluitstuk van onze trektocht), de Lauteraarhorn (hadden we nog maar een paar dagen langer…), Aletsjhorn (met daarachter in de verte de reuzen van Wallis), en tenslotte de dreigestallt Jungfrau, Mönch, Eiger, vanuit zuidelijk perspectief.  Onze tocht was tot nog toe al een aaneenrijging van onvergetelijke vergezichten, maar in deze vroege ochtendzon, met deze staalblauwe lucht is dit panorama er toch eentje zeker op ons netvlies gebrand zal blijven…

Voor de afdaling binden we weer in: ook al is het hier nog niet echt nodig, want geen spleten, maar we willen op deze zachte helling oefenen in het skiën in cordée.  Of beter gezegd: Hansjörg en Werner willen dat ik wat oefen.  Ik ben gewillig en wil wel.  Maar besef dat ik deze techniek allicht nooit helemaal onder de knie (sic) zal krijgen: beter leren skiën tot daar, da’s een kwestie van veel oefenen, maar dan ook nog synchroon skiën met de cordéemaats, dàt is zonder meer een stap (if not 2-3) te ver.

Maar op deze zachte hellingen met goeie sneeuw lukt het redelijk en langzaam komt de schwung er in: links – zwffff – rechts - zwffff – links – swffff – rechts - swffff ….Yes, we can!!  Hoogmoed komt voor de val: na enkele honderden meter beslist één van mijn skis een geheel eigen weg te gaan en maak ik een even spectaculaire als gevaarloze salto mortale. Onze cadans is verbroken en ik ben omgetoverd in een sneeuwman.

Enkele salto’s en toch ook wel een paar uur skiplezier in een overweldigend mooi landschap verder, kunnen we onze skis bij de Finsteraarhornhut.  Hier géén toeristen, alleen een groep Schusters (die vind je tegenwoordig overal, tot in de meest verlaten uithoeken van de wereld) met berggids/reisleider en voor de rest alpinisten als wij.  De ambiance is alpien: iedereen die hier geraakt is, een van de meest afgelegen hutten van Berner Oberland, heeft gezweet, en heeft maar één doel: morgen de hoogste berg van Berner Oberland beklimmen, de Finterahrhorn (4273 m).  De telling is snel gemaakt: morgen zijn we met 25 onderweg naar het Hugi-zadel op 4088 meter.  Om 9 uur is het dan ook al muisstil in de hut.  Nou ja, muisstil: geritsel van plastic zakjes en gesnurk horen bij het Lager-geluid zoals het tikken van de pendule bij de huiskamer van ons moemoe.

BERGKAMERADEN…

Je moet alpinist zijn om te begrijpen waarom iemand tijdens zijn vakantie persé lang voor zonsondergang vanonder z’n warme donsdeken kruipt om te beginnen stappen (met bovendien een rugzak op z’n bult) terwijl er buiten nog geen bal te zien is.  Niet-alpinisten verklaren ons om nog wel meer dingen gek… Omdat we al een dikke week onderweg zijn, zijn we geroutineerd en zijn we snel weg.  We trekken samen met een gids en een klant de kop van een uitgerekt colonne lichtjes die langzaam in de flank van de berg omhoog sluipt.  Meer dan een verticale kilometer moeten we zigzaggend de berg opschuiven, maar het gaat uitstekend: onze acclimatisatie is perfect en we kunnen rustig ademend ons tempo aanhouden tot op het skidepot, het Hugi-zadel  (Btw: langs hier waren ook al weer een paar taaie Zwitserse boeren/klimmers lang geleden onderweg: in 1836 stonden ze al op de top van deze buitengewoon hoge berg…).  Wanneer we onze thermos terug in onze rugzak schuiven en ons klaarmaken om door te klimmen naar de top komt de gids met zijn uitgeputte klant pas toe: die is al tevreden dat hij het zadel bereikt heeft, en zal geen toppoging ondernemen.  De Duitse groep en nog enkele cordées komen nog veel later: we zullen ze pas tegenkomen op onze afdaling.  Weer wordt duidelijk hoe essentieel acclimatisatie is en dat forceren niet werkt op deze hoogte.  We vernamen al dat de meesten recht vanaf de Jünchgraujoch (waar ze met de trein naartoe geraakten) hier naartoe gekomen zijn…  Wij voelen aan den lijve hoeveel meer adem we nu hebben dan op de Aletsjhorn en prijzen ons gelukkig dat we de gouden regel van de acclimatisatie gevolgd hebben: climb high, sleep low.  Alsmaar stijgen, maar lager slapen, en zo gestaag, in zaagtandtempo, hoogte winnen is de beste manier om te blijven genieten van alpinisme op hoog (letterlijk) niveau.

De noord-west-graat van de Finsteraarhorn vergt wel nog opperste concentratie: de rotsen zijn bijna volledig sneeuwbedekt, soms zakken we heupdiep in de sneeuw, op andere plaatsen is het spekglad verijsd. En altijd gaapt een duizelingwekkende diepte links en rechts van onder de verraderlijk overhangende Wächten.  Gelukkig hebben we de zware skis kunnen achterlaten op het Hugizadel,  en zijn onze rugzakken ook al wat lichter dan bij het begin van onze tocht.  Zekeren is quasi onmogelijk, dus klimmen we elk voor zich maar hebben we wel ons touw en sneeuwankers bij, die we af en toe gebruiken bij uitwijk-traverses in de wand.  We klimmen op de grens van licht en schaduw: onze linkerkant lekker verwarmd door de ochtendzon, langs rechts blaast een ijskoude bries vanuit de reusachtige oostwand onder onze donsjas en bezorgt ons koude rillingen. 

We staan alleen op de top.  Drie dikke bergkameraden, Hansjörg, Werner en ikzelf.  Al jaren samen onderweg en ook op deze tocht weer een fijne cordée die mekaar goed verstaat en dezelfde ingesteldheid heeft mbt de bergen: klimmen om te genieten van de prachtige bergen, met een absoluut respect voor de grootsheid en kwetsbaarheid van deze laatste wildernis die (West-)Europa rijk is.  De omhelzing is hartelijk, de handdruk gemeend: Berg Vrij!!

Gelukkig komen slechts enkele anderen langs de luchtige graat nog omhoog en moeten we niet te veel heksentoeren uithalen bij ’t kruisen.  Bij ons skidepot op het zadel blijken de meesten al naar beneden geskied te zijn.  Tja: bij ’t naar boven gaan mochten wij een spoor leggen in de maagdelijke flank van deze berg, nu moeten wij noodgedwongen door kapot-geskiede hellingen naar beneden.  Nu, we bekijken het langs de goede kant: met al meer dan 10 sporen kris kras door de flank is deze al volledig ‘ontladen’ en is het risico op een lawine zoveel als 0.  We kunnen ons dus smijten en genieten te volle genieten van 1000 meter afdaling in poederzachte sneeuw! Als we terug aan de hut staan, hijgen we dan ook meer dan toen we boven op de Finsteraarhorn stonden…  ’t Is pas middag, de zon staat nu pal op ’t terras van de hut:  een lekkerder plekje om de lunchen kunnen we ons niet indenken.  We koken onze laatste pakjes aiki-noedels, maar vullen die graag aan met echte gulash-soep gemaakt door de wirt (komt misschien ook uit pakjes of een doos, maar er zitten tenminste brokken in…).  En wat smaakt er beter dan een halve liter bier op een zonnig terrasje, midden het grootste skigebied ter wereld maar met nergens één lift te bespeuren?! Het wordt nog leuker als in de loop van de namiddag één voor één de andere cordées vertrekken richting Konkordia en wij moederziel alleen – oh heerlijke rust – achterblijven in dit paradijs.  Die avond kookt de Wirt voor ons en slechts 2 andere cordées een heerlijke maaltijd.  We trakteren onszelf op een lekker flesje Fendent en toasten op een meer dan gelukte toerenweek.

GERNE AUF WIEDERSEHEN!

Als wij de volgende morgen ontbijten, zien we hun lichtjes al hoog op de flank van de Finsteraarhorn: die halen het zeker ook.  Bij ’t eerste ochtendlicht vertrekken wij naar het westen: in stevig tempo, want super lichte rugzak, naar de Grünhornlücke, vanwaar we – alweer in volle winterzon – swingend afskiën naar de Konkordiaplatz waar de mastodont-hut met z’n eindeloze trappen hoog bovenuit troont.  Van daar naar de Lötschenlücke vergt meer zweet: het hoogteverschil is miniem, maar de zon schijnt ongenadig op ons neer en  de reusachtige half-tube waarin wij langzaam voortschuifelen is als een enorme zonneoven die ons langzaam maar zeker doet koken. 

We traverseren op veilige afstand onder de enorme noord-wand de Aletsjhorn en turen naar ‘onze’ Haslerrippe: Jezus, wat is die wand mooi! Maar van onze sporen is niks meer te merken: weggeveegd door lawines, en weer bedekt onder de sneeuw.  Misschien zit hierin wel de betovering van de bergen in de winter: hoe scherp je spoor zich soms ook aftekent in een sneeuwflank, hoe diep je soms in de sneeuw zakt, altijd dekt de berg je spoor weer achter je dicht met nieuwe sneeuw.  Amper enkele dagen (soms amper enkele uren) later is alles weer maagdelijk wit en ziet het eruit alsof je hier nooit was.  Zo hoort het ook.  En zo is het een volgende keer weer helemaal opnieuw beginnen, in een maagdelijk wit landschap. Het relativeert onze ‘impact’ en maakt bescheiden: de uitspraak ‘een berg veroveren’ is gewoon grootheidswaanzin, want van iedere stap die je in de winter op deze hoogte zet blijft op de berg niks over, alleen een warme herinnering (en als het tegenslaat een paar bevroren tenen)…  We zijn maar passanten.

In de Hollandiahut moeten we noodgedwongenbijtanken: de Wirt verwelkomt ons als oude bekenden met een pot thee en een babbel.  Hij vertelt dat we Huëreglück gehad hebben met het weer en de sneeuwkondities, maar geeft ons toch ook een schouderklopje omwille van onze mooie beklimmingen.  Best dat we geen week later gekomen zijn, zegt hij, want het weer gaat veranderen.  De hoge wolkenslierten die zich langzaam verdichten, schijnen zijn voorspellingen te bevestigen.  Na nog een flinke slok bier (‘k heb de laatste paar dagen al meer alcohol gedronken dan anders in een hele maand!) en nog even en blik achter ons naar het hart van Berner Oberland, waar we meer dan een week in op weg waren, zwaaien we tot ziens.  Onze thermos weer vol en een extra fles Rivella in de rugzak.  Bij de stijgvellen, die we nu voorgoed mogen opbergen.  Met de zon nu zowat pal in ons gezicht glijden we Lötschental in: een paar uur puur skiplezier.  Maar uiteindelijk moeten we ons nog reppen om een bus te halen tot Goppenstein en dan met de trein naar Lauterbrunnen bij onze auto te geraken. 

’t Is een gat in de nacht als we parkeren onder de car-port bij Hansjörg.  Als echte Appenzeller Hausfrau staat Bianca nog op en bakt ons nog een goei pan Rösti-mit-Speck…  Wat we die 10 dagen uitgespookt hebben kan haar niet zo veel schelen, wel dat haar man en zijn maatjes weer heelhuids terug zijn zodat ze hem/hen weer lekker kan verwennen met haar kookkunsten.  

Guten Apetit und gerne Auf Wiedersehen!

 

Wilfried

 

PRAKTISCHE INFORMATIE

www.naturfreunde.ch

www.naturfreunde-haeuser.net

www.naturfreunde-reutisperre.ch

www.bruenighaus.ch

www.hollandiahuette.ch

www.konkordiahuette.ch

www.moenchsjoch.ch

www.berglihuette.ch

www.finsteraarhornhuette.ch

 

(*)LVS = LawinenVerschüttenenSuchgerät: elektronisch apparaatje behulpzaam bij ’t zoeken naar personen die onder de sneeuw (van een lawine) bedolven geraakt zijn; heeft iedere winter-alpinist altijd paraat om zich hangen.