Alaska 98: The Great Adventure

Het reisverslag  van Chris "Eagle-eye" Belmans, Koen "Bear" Stynen en Brecht "Caribouman" Van Rompaey over hun "Great Adventure" naar Alaska.

    * Alaska beslaat 1/5 van de volledige oppervlakte van de Verenigde Staten van Amerika. De oppervlakte van Alaska komt overeen met de oppervlakte van Engeland, Frankrijk, Italië en Spanje samen
    * Ten noorden van Alaska ligt de Arctische oceaan en de noordpool
    * Ten oosten is Alaska begrensd door Canada
    * Ten zuiden bevindt zich de Pacifische oceaan
    * En ten westen de Bering-zee en Rusland
    * In Alaska bevinden zich 17 van de 20 hoogste bergtoppen van de VSA
    * Alaska telt 5000 gletsjers waarvan 1 groter is dan Zwitserland
    * Alaska telt 550.000 inwoners waarvan bijna de helft in Anchorage woont, terwijl de berenpopulatie op ± 95.000 wordt geschat
    * De oorspronkelijke bevolking bestond uit eskimo’s en indianen (de Inuiten, Aleoeten, Athabascanen, Tlinglit & Haida-stammen); ze vormen momenteel nog slechts een kleine minderheid van de totale Alaska bevolking
    * Wintertemperaturen van – 40°C zijn de normaalste zaak in Alaska, daarentegen kunnen goede zomerdagen + 30°C op de thermometer doen verschijnen, maar de weersomstandigheden in Alaska zijn vooral onvoorspelbaar
    * In Point Barrow (het noordelijkste punt van Alaska) gaat de zon tussen mei en augustus niet onder voor 2 ½ maand, het tegenovergestelde kan men in de winter gewaar worden
    * Wat de economische bedrijvigheid betreft, houdt men zich in hoofdzaak bezig met de olie- en visindustrie; ook goud-, zilver- en zinkmijnen zorgen voor een groot deel van de tewerkstelling
    * Alaska heeft slechts ongeveer 8000 km aan openbare wegen waarvan slechts een deel is verhard; geen wonder dat een groot deel van het verkeer via het water en de lucht verloopt. Alaska is dan ook het land van de bushpilots. 1 op 60 inwoners bezit een eigen vliegtuig
    * Alaska telt 13 nationale parken
    * Uitweiden over de onmetelijke flora en fauna is onbegonnen werk. Dit moet je ter plaatse aan de lijve ondervinden. Alaska moet je “ondergaan”. Alaska is een wildernis met de omvang van een continent, waarin de mens hooguit een kleine bijrol speelt.
      Iedereen die het aandurft verder te kijken dan de volgende meter asfalt ervaart zintuiglijk de weidsheid en de ongenaakbaarheid van deze arctische natuur. In de onmetelijke wouden, op de toendra en de taiga, trekken grizzly’s, zwarte beren, elanden, wolven en kariboes ongestoord door hun ongerepte en streng beschermde habitat.
      Langs de onbewoonde kusten migreren de witkoparend en de trompetterzwaan, samen met honderden vogelsoorten over de brede rivierdelta’s. Zeehonden, zeeotters en walvissen bevolken de fjorden en de eilandjes van de golf van Alaska. In duizenden rivieren trekt de zalm in de zomer stroomopwaarts om er kuit te schieten en te sterven. Wit blauwe gletsjers kalven af in de zee. Bergtoppen van 5- en 6000 meter overheersen het land waar eskimo’s en indianen zich proberen te handhaven.
      “The Last Frontier” verkennen vraagt enig doorzettingsvermogen. But for those who can handle it, it’s a gift.


Zondag 12 juli (dag 1)
Alaska here we come

Chris komt mij ophalen om 7.30 ‘s morgens. Onze trip begint al goe: onze vlucht in Deurne vertrekt met vertraging (± 30 min) en in Amsterdam blijven we een uurtje langer aan de grond dan voorzien. In Schiphol nemen we eerst nog een kijkje in het casino. Bij het inchecken worden ons allerlei vragen gesteld zoals “Hoe lang kennen jullie elkaar al ?”, “Wanneer heb je uw bagage het laatst gezien ?”, “Heeft iemand de kans gehad er iets in te stoppen ?”, ...
De vlucht (in een DC10 = zéér groot vliegtuig) verloopt goed.
Ik zit naast iemand van Mechelen die op zakenreis is (start projecten op met verbrandingsovens). Hij moet naar een beurs in Seattle en daarna moet hij nog naar Atlanta, Dallas en nog drie bestemmingen in Mexico. Naast mij zit een grote knappe blonde Americaanse. We vliegen over Reykjavik (IJsland) en Groenland. Er hangen geen wolken boven Groenland en dus hebben we een adembenemend zicht op de kust met haar ijsschotsen. Impressionant hoe uitgestrekt dit is. De Brecht en de Chris vliegen in de wijn en het lekkere eten, en slurpen achteraf nog een ‘Baileyske’...
Als film krijgen we “The Full Monty” voorgeschoteld. De tijd gaat goed vooruit want ik lees mijn bereboek, wat reuze-interessant is. Die kennis zal ons nog van pas komen. Ook de kranteknipsels met de avonturen van de Struik lijken de moeite.
We landen in Seattle. De piloot rept geen woord over de vertraging van 1 uur die we hebben opgelopen. Dit komt erop neer dat we weinig tijd hebben om over te stappen voor onze aansluitende vlucht naar Anchorage. Aan de paspoortcontrole is het aanschuiven geblazen. Ze vragen er de stront uit mijn gat: “Hoeveel Dollars heeft u meegebracht ? Wat zijn uw plannen hier ? Welke creditcards heeft u ? Met wie reist u ? Waar verblijft u ?” ... Dan nog de controle van de bagage. Op de vlieger moesten we een fiche invullen waarop we moesten aanduiden of we voedsel en/of agrarische produkten invoerden. We ontkenden dat we meat bij hadden, maar de Chris kon toch zijnen halve rugzak uitkieperen, met als gevolg dat hij een pakske gevriesdroogd voedsel moest achterlaten. Mijn bagage hebben ze ook gecheckt. Gelukkig zat mijne salami ver genoeg vanonder. Door al deze zever missen we onze vlucht naar Anchorage. Klote is dat. Een vriendelijke man in Seattle aan de incheckbalie kan ons op een ander vliegtuig droppen en zelfs vrij snel. Op de vraag “Wat gebeurt er met onze bagage” kregen we als antwoord : “We don’t know !” Nobody knows, we shall see in Alaska. Een “van” brengt ons naar de gate waar we moeten opstijgen met wééral vertraging. Voor de rest verloopt de vlucht vlotjes.
Op de vlieger maken we nog kennis met een Israelisch meisje van ± 18 jaar. Ze staat haar plaats af aan mij om de landing te kunnen zien. Leuke babbel. Ze komt met haar broer en moeder op familie bezoek.
Om 03.00 u Belgische tijd zetten we voet aan wal in Alaska. De luchthaven van Anchorage stelt niets voor, ze is niet veel groter dan die van Deurne. Waar we voor vreesde gebeurde: geen bagage te vinden. Twee uur later pas ziet Chris zijn rugzak terug, maar hij ruikt (verdacht) lekker zoet. Dat is op zich geen probleem,… tenzij we ons in “Bearcountry” bevinden ! Het is de Chris zijne voetspray die uitgelopen is. En ook zijnen drinkbeker is aan diggelen. Ongeveer een half uur later zie ik mijn rugzak terug. Van Brecht zijn gerief nog geen spoor, strange. Na de zoveelste keer te gaan klagen bij de Bagageclaim wordt er een document opgesteld over het verlies van de bagage van Brecht. Da mens begon bijna over haar toeren te geraken want in Seattle hadden ze één plakkerke vergeten te plakken (=> precies een serieus probleemke). Daarna kunnen we niet anders dan ons naar ons motel te laten voeren en hopen dat de Brecht morgen zijn spullen te pakken krijgt. Het meisje dat ons naar het hotel (Spenard) voert blijkt niet erg snugger te zijn : ze heeft nog nooit van Brussel of België gehoord, tot daaraantoe, maar Katmai (National Park) kende ze ook niet (en daarvoor kwamen wij naar Alaska !). Om 07.00u ‘s morgens Belgische tijd duiken we in ons bed. We hebben de klok rond gereisd. In Anchorage is het dan 21.00u en nog klaarlicht (en dat zal zo een hele tijd blijven). Prijs voor een overnachting -zonder ontbijt- per persoon is ongeveer 29$ (dit is ±1.100 ballen).

Maandag 13 juli (dag 2)
Jetlag

De dag begon vroeger dan voorzien. Ik had onze wekker gezet op 10.00u omdat we ten laatste om 11.00u de kamer uit moesten. En inderdaad, om 10.00u loopt onze wekker af, maar met tegenzin komen we uit onze nest en gaan we ons wassen. Door de “jetlag” lijkt het of we nog maar pas in ons bed lagen. Chris gaat naar de receptie om te vragen of Brecht zijn rugzak al terecht is. Daar komt hij tot de ontdekking dat het 10.00u ‘s avonds is in plaats van 10.00u ‘s morgens (!) en dat het nog steeds zondag is. We proesten het alledrie uit van het lachen want we hebben alledrie ondertussen al een bad genomen, eigenlijk ne meevaller want we mogen nog 12 uur in onze nest kruipen. Vroeg in de morgen komen we dan toch uit onze nest. Aan de receptie drinken we wat thee en eten we een soort cornflakes. Daarna gaan we te voet naar “downtown”. Onderweg passeren we dé grote outdoorwinkel (R.E.I.) maar die gaat pas om 10.00u open, en daarvoor is het nog wa vroeg. Een beetje verder komen we een kleinere outdoor winkel tegen (één van de zovele), we neuzen er eens rond; alles blijkt er even duur ofwel stukken goedkoper te zijn. De uitbater is een erg vriendelijke man die ons een plannetje tekent met een alternatieve route naar dowtown, die ons langs een meer zou leiden. Onderweg kopen we wat sandwiches om in ons kas te slaan en zetten onze weg verder. We begeven ons naar het visitorcenter, onderweg is iedereen supervriendelijk en zegt iedereen een goeiendag, sommigen knopen een heel gesprek aan dat altijd begint met: “How ‘re you guys doin’ ?”.
We gaan op zoek naar informatie over Katmai N.P. waar we onze eerste grote trip willen starten. In het visitorcenter sturen ze ons door naar het Federal Bureau, alwaar weeral vriendelijke mensen ons te woord staan met de nodige brochures. Chris gaat direkt bellen om te informeren voor een vliegticket naar King Salmon en om te zien of we misschien moeten reserveren voor een “backpak permit”. Bellen vanuit zo’n public phonecell bleek niet zo simpel. Het nummer dat we oorspronkelijk hadden was een free number (zoals vele nummers daar = handig), maar men verwees ons door naar een ander -betalend- nummer. We komen terecht op een antwoordapparaat waarbij we via de toetsen een menu moeten volgen, waarbij we eigenlijk niet de informatie te horen kregen die we graag gehad hadden. Uiteindelijk blijken we nog in’t krijt te staan bij de telefooncentrale, want we hebben redelijk lang aan het bellen (lees : knoeien) geweest. Als we de hoorn opleggen begint de telefoon luid te rinkelen en we nemen dan ook maar op. Het was voor ons : een telefoniste zegt ons dat we nog 1.15$ moeten betalen. We verstaan plots geen Engels meer en vegen ons voeten eraan. Als we opnieuw de hoorn inleggen, begint de telefoon terug luid te rinkelen. We maken dat we wegkomen.
Ondertussen is het al middag en het zonnetje schijnt er op los,’t is hier zelfs veel warmer dan normaal in Anchorage. Op straat kopen we aan een kraampje alle drie een buffalobraadworst als middagmaal.
We nemen de bus naar de University waar we stafkaarten kunnen kopen. Op de People Mover is er altijd wel iemand die een babbeltje wil slaan. Op de university vinden we redelijk gedetailleerde stafkaarten, 4$ elk. Het zijn wel oude kaarten en de enige (korte) gravelweg, waarvan we zeker weten dat die is aangelegd, staat er nog niet op. Da belooft. We tekenen hem er dan maar over van een andere kaart. We nemen de bus downtown en kopen wat food en ontbijt voor ‘s anderendaags in een kleine grocery store. Vervolgens nemen we de bus naar de campsite die ± 45 minuten rijden buiten het centrum ligt. Daar aangekomen ontmoeten we Keith, ne gast die ons direct in zijn vriendenkring opneemt. Hij geeft ons zijn kaartje met zijn naam en adres en belooft ons met alle info te helpen (daar bleek achteraf niks van te komen). Op de campsite gekomen zoeken we een mooi plaatsje. Brecht en Chris gaan naar de liquor store en kopen er 12 blikjes Budweiser en een fles “Yukon Jack” (een tip van Karel Hendrickx die echt wel de moeite was). Ze krijgen er prompt een grote zak ijs bij om onze dranken cool te houden.

Het is nu 12.00u midnight en het begint hier stilaan te schemeren. We proeven nog eens van onze Yukon Jack en we duiken in onze tent.

Dinsdag 14 juli (dag 3)
Sightseeing in downtown Anchorage

’s Morgens spek en gesopte boterhammen met bruine suiker, lekker! Dan vertrekken we downtown en stappen af aan de grootste outdoorwinkel van Alaska: “REI”. Het is de moeite. We kopen er berenspray, repellent, een zjat voor de Chris en ik chocolade. Ze hebben ook veel goeie literatuur over trekkings en koken, … en ook hier blijkt nog maar eens dat het trekkingsmateriaal goedkoper is dan bij ons. Voor we het beseffen lopen we er al 1.30u rond.
Nadien doen we een kleine stadswandeling die in de Lonely Planet staat beschreven. We passeren eerst bij een klein huisje (Oomingmak Musk Ox Producers Co-op), een soort museum over muskusossenwol. We krijgen een uitgebreide uitleg over heel de wolhistorie. Elke os produceert elk jaar zo ’n 60 pond wol. Daarna wordt de wol gesponnen en daarna worden er sjaals en mutsen van gemaakt door de plaatselijke eskimovrouwen. Elke deelstaat heeft zijn eigen patroon. Het is zeer zacht maar verschrikkelijk duur want er kruipen veel uren in het maken van zo ’n muts of sjaal (handwerk).
Onderweg hebben we ook nog “a nice overlook” gehad: achter Cook Inlet konden we het bergmassief van de Mount McKinley goed zien door het heldere weer (+ 23°C in de schaduw). Daarna hebben we een bezoek gebracht aan het Anchorage Historical & Fine Arts Museum. Een interessant museum over hoe de mensen (eskimo’s) er vroeger (over-)leefden, de Russische invloeden, de invasies, … Best leerrijk en beslist de moeite waard om hier eens binnen te stappen. Eenmaal terug buiten gekomen was het weeral etenstijd. Eerst onze vlucht voor morgen naar Brooks Camp nog bevestigen. Het boeken en bevestigen van vluchten gebeurt hier vrij vlot.
Dicht bij onze camping is er een Pizzahut, de keuze was dus snel gemaakt (onze ogen bleken toen wel groter dan onze maag, Brecht was duidelijk nie in form). ’s Avonds op de camping nemen we nog eens een douche voor de laatste keer, en we slurpen nog aan ne Budweiser en aan de Yukon Jack. Dan onze nest in want de dag zou vroeg beginnen morgen: om 6.30u komt onze taxi al.

Woensdag 15 juli (dag 4)
Up to bearcountry

Opgestaan om 5.15u in the morning om op tijd gepakt en gezakt te zijn voor de taxi. Hij was stipt op tijd. Alles was zeiknat van den douw maar ja… Wij dus naar de airport waar we alledrie een plaats mogen kiezen: alle drie aan het raam dus. Voor 250$ vlogen we met “Reeve Alution” van Anchorage naar King Salmon en terug (ginds de beste koop!). In de wachtruimte ontmoeten we ne kerel die daar gaat vissen. ’t Schijnt één van de favoriete plaatsjes te zijn in Alaska voor zalm vissers. Ons vliegertje zat pas voor ± ¼ gevuld. Ook hier moeten we een half uurke wachten op de techniekers die nog wa moeten sleutelen, we ergeren ons niet en het verbaast ons ook niet dat we niet op het geplande uur de lucht in gaan.
Het hosteske was een wreed knappe (de knapste die we dan ook te zien zullen krijgen), de vlieger was wel nen ouwen bak. We kregen koffie en een koek (“bear claw”). Ik dacht onderwegen een dutje te doen want het was 1 uur vliegen tot in King Salmon en er hingen toch te veel wolken om naar buiten te kijken. Vlak voor ik in slaap viel keek ik nog eens door het raam. De wolken maakten een plaats voor het machtige Alaska: plassen, groen, besneeuwde bergtoppen gletsjers, geen tijd om te slapen dus.

In King Salmon aangekomen werden we weer met open armen ontvangen. We bellen naar “Katmai Air” om te zeggen dat we zijn aangekomen en de mannen van Katmai zullen ons komen ophalen. Wat ons hier direct opvalt is de massa klote muggen. Repellent helpt, maar dan mag je geen enkele vierkante centimeter overslagen of ge hebt prijs. De dame van de “luchthaven” (een incheckbalie zo groot als een doorsnee living met daarachter een hangaar) stelt ons voor om eens een bezoekje te brengen aan het visitor center. Dat doen we en ook daar weer supervriendelijke mensen die ons met plezier uitleg geven van hoe het er in Katmai N.P. aan toe gaat. We gaan terug naar de luchthaven, vanwaar ne gast van Katmai Air ons met een bus naar een rivier brengt. Een barak doet er dienst als kantoor waar alle vluchten naar Brooks Camp geregeld worden. De heen en terugvlucht kost 130$ per persoon + 2 x 10$ om voet aan de grond te zetten in Brooks Camp (=entree geld van Katmai N.P.). Het blijkt dat we met een floatplane naar Brooks Camp moeten. Yes yes yes. Omdat de draagcapaciteit van zo een klein vliegtuigje beperkt is, wordt iedereen eerst gewogen. Er is wel vertraging opgelopen wegens de slechte weersomstandigheden van ’s morgens (dichte mist); nu daarentegen was het weer weeral schitterend. Na een tijdje wachten mag ik met Brecht de vlieger in; het is een vliegtuigje voor zes personen, piloot inclusief. We moeten achteraan plaatsnemen en de zitjes zijn echt wel krap. De piloot zegt plichtsgetrouw de veiligheidsmaatregelen uit: “hier zitten de reddingsvesten, maar je gaat toch geen tijd genoeg hebben om die aan te trekken…vooraan en achteraan zit een first aid-kit maar dat is dan ook het enige dat veilig is in dit vliegertje”. We stijgen op vanuit een rivier en hebben een prachtig vergezicht. De landing gebeurt op het Naknek Lake. Ik wist niet dat men zo zacht kon landen met zo ‘n ding, een hele belevenis.
Op het strand aangekomen wachten we op de Chris die met het volgende vliegertje zou komen. We eten op het strand nog wat chips als ontbijt en genieten van het prachtige landschap rond het meer. Even later komt Chris ook uit de lucht afgedaald op het meer. Nu is ’t enkel nog wachten op de rugzakken die nog eens met een ander vliegertje achterna moeten komen.

We gaan ons melden op het bureau zoals dat hoort en krijgen een video te zien over “how to handle with bears”. We kijken uiteraard met volle aandacht want de plaats waar we ons nu bevinden is het dichtst bevolkte berengebied ter wereld. Achteraf geeft een mevrouw in uniform (een ranger) nog wat uitleg. Er is dit jaar blijkbaar weinig zalm (de zalm is momenteel stroomopwaarts aan het zwemmen om kuit te schieten) met als gevolg dat de beren meer honger hebben dan anders rond deze periode: dus dubbel zo voorzichtig zijn. We hebben het hier weer getroffen. De regels binnen Brooks Camp zijn streng en terecht natuurlijk: eten mag enkel op de daarvoor voorziene plaatsen, vissers moeten hun vissen zo snel mogelijk inleveren en ze laten kuisen in een speciaal daarvoor voorziene ruimte. De vissers krijgen speciale zakken mee om de vissen in te steken. Als er een beer in de buurt komt terwijl ze beet hebben moeten ze hun lijn breken. Ons wordt aangeraden om een berencontainer op onze tocht mee te nemen, wat eigenlijk niet met onze zin is: het ding is loodzwaar (2,5 kg) en neemt veel te veel plaats in beslag, bovendien krijgen we maar de helft van ons eten in dat tonnetje.
In Brooks Camp lopen zo ‘n 80 mensen rond die voornamelijk komen om beren te zien, en ze krijgen daar dan ook alle kansen toe. De rangers houden streng toezicht op alles wat er gebeurt in de buurt van het camp. Zij begeleiden de mensen en hebben onderling contact met elkaar via walkie talkies.
Tijdens het verdere wachten op onze rugzakken nemen we een kijkje in de “Lodge”, dit is een refter-zitplaats waar iedereen een beetje zit te verpozen. We geraken er aan de praat met een gepensioneerd koppel uit Fairbanks. De man weet ons te vertellen dat hij nog nergens zoveel en zo ‘n grote beren heeft gezien. Zijn woorden zijn nog niet koud of we zien vanuit de lodge een beer wandelen aan het strand. Ongelooflijk, nog geen 20 minuten geleden stonden wij daar zelf nog. Als de beer wat verder uit de buurt is gegaan, gaan we op het terras zitten om wat van de zon te genieten. Om 15.00u worden we terug in het rangersbureau verwacht om in detail onze tocht binnen het park uit te stippelen. Terwijl we op het terras zitten komt er een ranger naar ons toe: “Hebben jullie daarstraks chips gegeten op het strand?” We weten ondertussen al waar hij naartoe wil. We bevestigen beschamend zijn vraag. “Don’t do this ever, ever, ever again! You eat chips, bear eat you.” Toen beseften we eigenlijk pas dat we door onze onachtzaamheid ons leven in gevaar hadden gebracht en tegelijkertijd dat van andere mensen die met het vliegtuig toekwamen op het meer. We hebben ons direct verontschuldigd. De zak chips hebben we halfvol in de daartoe bestemde vuilnisbak gedumpt en onze handen gaan wassen in de keuken van de lodge. Ik was er effe niet goed van en werd plots zeer nerveus, mede door het te warme weer en het weinige eten dat ik die dag had verorberd wegens te weinig tijd en te veel zenuwen. Overal zagen we beren: niet alleen op het strand maar ook in de verte in de rivier wat verderop. Omdat we tot 15u moesten wachten om de ranger te spreken, besloten we om ook eens onder begeleiding naar de beren te gaan kijken. In de verte was een platform gemaakt waar ± 30 mensen stonden. Daar gekomen was het nieuwsgierig wachten of er werkelijk een beer zou verschijnen. Massa’s zalm hadden we al wel kunnen waarnemen, even later ook een zwemmende bever en even later inderdaad een beer. Hij zwom stroomafwaarts enkel met zijn hoofd boven water, mooi om te zien. Stroomafwaarts wil ook zeggen dat hij uiteindelijk ook vlak voor onze neus zou moeten voorbij zwemmen, wat na een tijdje dan ook gebeurde. Hij was nu op ± 100m van ons verwijderd, maar op het platform waren we veilig, de ranger had alles in de gaten. De beer was al zwemmend – af en toe eens aan zijn oor krabbend - op zoek naar een zalm, maar zonder succes. Vervolgens begaf hij zich naar de oever waar hij wat gras begon te eten (beren zijn omnivoren). Ondertussen was hij al genaderd tot op zo’n 30m, wat een belevenis voor ons ...

Op dit eerste platform hadden we onze namen opgegeven aan de ranger om naar de waterval te gaan kijken omdat er per platform maar een beperkt aantal mensen toegelaten worden. Momenteel was het wachten geblazen omdat er twee beren lagen te slapen op de pad naar de waterval. Het gevolg was dat niemand naar de waterval kon en de mensen die reeds daar waren niet meer terug konden. Aangezien dit zo al 3 uur het geval was, lieten we onze naam dan maar schrappen en keerden we terug naar het rangers-bureau. Toen we onze plannen daar aan de vrouwelijke ranger hadden duidelijk gemaakt gaf zij haar akkoord plus nog wat tips er bovenop (waar we onze tent het beste konden opstellen, waar we het beste een river crossing konden doen,…). Na het invullen van een blad met belangrijke informatie zoals onze uitgestippelde weg, kleur van tent, kleur van onze jassen, kleur van onze rugzakken, wie ze moeten verwittigen in noodgevallekes enz. konden we onze containers vullen en alles verder inpakken voor onze droomtocht, doch met de nodige poepers. Ik kreeg slechts de helft van mijn gerief in mijne rugzak (door het extra volume van de container), zelfs na zorgvuldig stapelen en tassen. Ik moet mijn klein rugzakske vol laden en op mijn rugzak hangen. Dit maakt mij nog nerveuzer want dit was de eerste keer dat de inhoud van mijn rugzak niet volstond (=60 liter). Brecht en Chris hebben een rugzak van 70+20 liter maar die waren ook volledig vol. We wisten nu wat ons te wachten stond de komende 16 dagen: afzien en hopen dat de beren goed gezind zouden zijn. Uit curiositeit gaan we onze rugzak wegen op een weegschaal die daar staat. Na een rekensommetje van pound naar kilogram komen we tot de constatatie dat ik 29 kilo moet meezeulen, zonder de twee liter water die nog in mijn waterzak zou kunnen. Brecht moet 32 kilo torsen en Chris 34. We lachen groen en vertrekken.

Maar we hebben Brooks Camp nog niet verlaten en we krijgen al een tijdelijk verbod van de ranger: er zou een beer op komst zijn in onze richting. We moeten zelfs terug tot helemaal binnen het kamp. Na een half uurtje zetten ze het licht op groen voor ons. Het is nu 18.00u. Om te beginnen moeten we een gravelroad volgen van 38 km lang die naar de “Valley of 10.000 smokes” leidt. De weg loopt door een zeer dicht bos. Kleine bomen en struikgewas zorgen er voor dat het zicht vanaf de weg in het bos slechts ± 5meter bedraagt. Dit is best wel spannend: weten dat er op elk moment een beer op 5 meter van uwe neus kan staan. We kloppen voortdurend in onze handen en roepen op tijd om te laten weten dat we er aan komen (zoals het ons geleerd was). Zo vermijdt men een beer “per verrassing” tegen te komen (=een erg gevaarlijke situatie). Gelukkig komen we enkel een fazant en een eekhoorn tegen. Na 8 kilometer horen we een wagen achter ons. Het blijkt een man te zijn met een pick-up. Hij vraagt of we een lift nodig hebben. We aarzelen geen seconde, want er is ons gezegd dat de weg saai is en natuurlijk niet zonder gevaren. De man blijkt de werfleider te zijn van de aan de gang zijnde wegwerkzaamheden. Hij is ingenieur van opleiding, is – voor wat wij er kunnen uit opmaken – op pensioen en in de zomer amuseert hij zich als projectleider van de onderhouds- en herstellingswerken. We hebben een leuke babbel met hem. Hij blijkt ook een biker te zijn en heeft zelfs zijn eigen vliegtuigje. Uiteindelijk brengt hij ons tot op het einde van de weg (waar hij eigenlijk helemaal niet moest zijn) en nemen afscheid van hem.
Gevloek, nonde… toen we onze rugzakken uit de pick-up namen, waren die allemaal besmeurd met mazout. Er stond namelijk een mazouttank in de laadbak die blijkbaar serieus lek was. Wij waren dus de klos aangezien een deel van ons gerief helemaal stinkt. Op zich is dat geen ramp tenzij je weet dat beren graag petroleumprodukten ruiken.

Deze plaats hier is het begin van de vallei en heet “Three Forks”, genoemd naar de door erosie gevormde canyons in de vorm van meerdere vorken. We installeren ons in de hut die er is opgetrokken en hebben van hieruit een magnifiek overzicht in alle richtingen door het schitterende weer. Binnen in de hut zijn al 3 personen aanwezig, maar ze zijn aan de stille kant. Ze zoeken helemaal geen contact en eigenlijk hebben we op deze moment daar ook geen behoefte aan. We leggen ons te slapen na een lange vermoeiende dag en prijzen ons gelukkig dat we door deze lift 2 dagen wandelen hebben uitgespaard. Als we dit met de toeristenbus hadden moeten doen (die dagelijks een excursie maakt tot in de vallei) had ons deze rit 40$ gekost.
Wat de muggen hier betreft: “white socs” of “bugs” genaamd, zijn erg wreedaardig; sommigen steken door je t-shirt los door, soms tot het bloed er direct uit loopt.

Donderdag 16 juli (dag 5)
Pancakes in The Valley Of 10.000 Smokes

Om 9 uur ’s morgens word ik wakker door een groundsquirrel die vlak voor me zit: ze is onder de deur door naar binnen geslopen. We maken ons ontbijt klaar en voor we goed en wel klaar zijn valt er 24 man binnen, komende van de toeristenbus. De monitor laat horen dat we moeten opkrassen en is erg onvriendelijk. Hij stampt als het ware al mijn eten in den hoek van de hut. Swat. Wij sleuren onze bullen uit de hut en beginnen buiten onze rugzak te pakken. We krijgen nog een tip van de 3 Amerikanen die al 4 dagen dayhikes aan ’t maken waren, steeds met de hut als basiscamp.

Gepakt en gezakt vertrekken we dan, aanvankelijk volgen we een wildpad door dicht struikgewas, natuurlijk al klappend in onze handen. Al gauw staan we voor onze eerste rivercrossing. Kicken is dat. We komen uiteindelijk in de “Valley of 10.000 smokes”. We vragen ons af hoe lang we er zullen over doen om de vallei te doorkruisen. Het is eigenlijk één grote woestijn van zand, zavel en grind, omringd door machtige bergen, sommigen bedekt met eeuwige sneeuw. Sommige bergen zijn grijs, zwart, groen (van het mos), rood en geel. In het midden van de woestijn is een prachtige canyon uitgesleten, op sommige plaatsen zeer diep en zeer nauw, soms zo smal dat je er zelfs met een rafting boot niet door kunt.

Brecht zei ons “hier zullen we geen beren meer tegen komen want ’t is hier vrij kaal en er is bijna geen vegetatie”. Zijn woorden waren nog niet koud of we zagen al berensporen en shit van bruintje de beer, gelukkig niet al te vers. Met andere woorden: wees hier altijd op je hoede. We klauteren over stijle zandbanken met los zand, zeg maar ultra-mega duinen. Met momenten geraken we praktisch niks vooruit. Blijven stappen en ter plaatse blijven is zwaar, zeker met 29 kilo op uwe rug. Uiteindelijk komen we aan een inham van een hoge berg.
Dit leek ons wel een geschikte plaats om ons kamp op te slaan. Een vlakke zandduin met proper stromend water en beschut tegen de wind. Chris speurt de flank van de berg af en komt tot een merkwaardige ontdekking: er wandelde een beer ginderboven. Gelukkig was hij op safe distance. We namen de verrekijker erbij. Nu was er geen twijfel meer mogelijk, de bruine viervoeter bewoog zich langzaam verder naar boven. We hielden hem nauwlettend in de gaten en volgden zijn vorderingen tot hij over de bergkam verdween. OK, we konden ons kamp opslaan. Hier en daar vonden we wat kreupelhout, voldoende om een kookvuur te maken, wat bovendien leuker en gezelliger is dan stoken met de whisperlite stove. Op het menu: pannenkoeken, bruine suiker en chocomelk. Voila, wat wenst een mens nog meer? Brecht zijn pannetje bewijst al direct zijn diensten. Na zorgvuldig ons eten te hebben opgeborgen kropen we in onze bag, het scheutje Yukon Jack kan u er zelf wel bij denken zeker.

Bij het camperen in berenland moet je dagelijks een aantal veiligheidsrituelen uitvoeren: 1) de tent niet te dicht bij een rivier opstellen, 2) koken doe je minstens 100 meter van de tent verwijderd en windafwaarts, 3) het opslaan van voedsel en andere welriekende dingen gebeurt ook op minstens 100 meter van de tent, uiteraard ook windafwaarts, en dan maar hopen dat bruintje niet langs komt.

Vrijdag 17 juli (dag 6)
Seeking for Lake Magiek

Als ontbijt begonnen we met koude pannenkoeken. Met zo enkele lappen achter de kiezen kom je al een heel eind. Inpakken en wegwezen. We zetten onze rush verder door de woestijn. Langzaam maar zeker krijgen we een beter zicht op één der hoogste toppen die de vallei omringen: de “Mount Magiek”, een echte gletsjertopper. We moeten regelmatig onze stafkaart raadplegen om op de juiste plaats de vallei te kunnen verlaten. Er word regelmatig overlegd en gediscussieerd over het te volgen traject.

Een juiste positie bepalen is bijna ondoenbaar door de verschrikkelijk grote dessert, waar geen vegetatie in voorkomt en rivierbeddingen die zich elk jaar verleggen (of zijn uitgedroogd). Ook geen enkel menselijk spoor als referentie (zoals bij ons; een huis, weg, bos, brandweg, elektriciteitspalen of iets dergelijks…). We moeten volledig voortgaan op de vorm van de bergen die door de hoogtelijnen op de kaart zijn te herkennen. Uiteindelijk zouden we de Katmai pas moeten oversteken, maar dit zal niet meer voor vandaag zijn. Een rivercrossing is er daarentegen nog wel nodig om ons op de juiste plaats te brengen. Yes, weeral een geslaagde oversteek.
We bevinden ons nu aan het einde van de valei, aan de voet van de majestueuze Mount Magiek. Er zou een meer moeten liggen volgens onze stafkaart. Dit zou onze houvast kunnen zijn. Maar het meer bevindt zich niet waar wij het verwacht hadden.

Dan maar verder trekken richting Mount Cereberus. Plots krijgen we een zicht op ’t meer waar we naar op zoek waren. Onze monden vallen open van… Dit is de mooiste beloning die we ons kunnen indenken voor al het zweet dat we die dag hebben gelaten. Een kraakproper, helblauw meer gelegen aan de voet van de Mount Magiek omsloten door kleine heuvels. Een gletsjertong reikt tot in het meer en in het meer drijven kolossen van ijsplaten. Machtig. Onze keuze voor onze kampplaats is snel gemaakt.

Enkel de wind is de spelbreker. Windsnelheden van 90 km/u zijn hier niks overdreven en zijn hier dagelijkse kost vertelde men ons nog in het visitor center. Dat geloven we vrij. Om te kunnen koken stellen we het vuurtje op half in onze vestibule. Hierna maken we nog een avondwandeling over één van de vele gletsjertongen en gaan op zoek naar een geschikte route om morgen met onze rugzak de pas te bereiken. Na een grondige studie en een heleboel klimwerk vinden we een “doenbare” passage die haalbaar en verantwoord is met een rugzak van 30 kg. We beginnen te beseffen dat het traject dat we voor ogen hadden niet voor mietjes is weggelegd en dat we in de bergen onze peren nog gaan zien. Er rijzen ook twijfels zoals: gaan we wel op tijd het levensnoodzakelijke zuiver water vinden, want bijna alle rivieren zijn verontreinigd met steengruis; brandhout is er in de verste verte ook niet te vinden, zal onze brandstof volstaan? Hier en daar wat mos en een plukje gras; wanneer komen we een rivier tegen die vis zou kunnen bevatten. We moeten tenslotte 15 dagen onze plan trekken. We keren terug naar ons basiskamp, een nederzetting die eerder doet denken aan een Everest-expeditie door de omgeving waarin we ons bevinden. Bovendien hebben we onze tent verankerd met grote rotsblokken om alles netjes op zijn plaats te houden en zo de windstoten te trotseren.

Woensdag 22 juli (dag 11)
Rivercrossings & bushwacken in the 3rd degree

Het is mooi weer, zelfs zonnig, de heli komt eraan en laadt een koppel onderzoekers op. Er worden 2 mensen gedropt die later op de dag op de Mount Magiek gaan landen en daar gasstalen gaan nemen. Op de top zijn er 2 meren met gassen die een ph waarde 1 hebben. Ze moeten volledige beschermpakken dragen en ook een gasmasker, een hele opdracht om daarboven te werken tussen de gletsjers en stormwinden, niet voor mietjes.
Chris begint te koken in de hut maar hij is nog niet gewoon met zo ‘n vuurtje te werken met als gevolg een steekvlam tot bijna tegen het plafond, ietsje hoger en hij had het kot afgestookt. Op dat moment was ik buiten met een onderzoeker (van Washington) aan ’t praten. Toen de man het uit de hand gelopen vlammetje in de gaten kreeg, wist hij niet waar hij het had. Gelukkig kreeg Chris onze whisperlite stove terug onder controle. Dat was echt grappig. Ik maak nog snel een trog havermout en we stappen op om door de vallei naar de hut (Three Forks) te stappen waar we uiteindelijk onze trip begonnen. We hebben er een stevig tempo op staan want het is vlak en de zon in de rug maakt het zalig. We vinden weer een plaats om veilig door de rivier te waden. Weer geslaagd. We krijgen de hut terug in zicht. We besluiten van de kortste weg naar de hut te nemen d.w.z. eerst weer een rivier over, de ergste die we al hebben gezien: een zeer krachtige stroom, zeer grote rotsblokken in ’t water, zicht in ’t water nihil. Ik zoek 3 geschikte stokken want die zullen we nodig hebben. Brecht begint als eerste, in zijn onderbroek. Hij weet dat het er pretty deep zal zijn. Als hij halverwege is staat hij nog juist met zijn edele delen boven water, hij blijft met moeite overeind. Aan de snoeten die hij trekt merk ik dat het menens is. This is risci, één misstap en bye bye rugzak. Ik spreek hem moed in, dit is wel nodig ook want hij zit serieus met de poepers. Met horten en stoten en de daver op zijn lijf bereikt hij de overkant. Opluchting alom aan beide kanten van de rivier. Chris was ook al aan de oversteek begonnen en ik ging vlak achter hem. Hij kan amper recht blijven, ik steun hem in de rug want anders had hij kopken onder gegaan. Hij scheet hem dus ook. We besluiten van een nieuwe poging te doen een beetje verderop in de rivier. Dit blijkt een stuk veiliger. Een avontuur met alweer een happy-end. Nu staat ons nog een klim door de bush te wachten, duidelijk niet met de zin van Chris: hij is pissed off. Het is kompleet dichtgewassen struikgewas waar we ons moeten doorwaden en dit gaat voor hem iets te ver. Van een pad is er helemaal geen sprake, bij elke stap die hij doet met twee handen de takken opzij duwen en om de 2 stappen in handen klappen en hopen dat we de hut vinden want de struiken zijn te hoog om er overheen te kunnen kijken. De Chris vloekt constant en vindt dit onverantwoord. Hij is dan ook nog eens groter dan ons en movet dus moeilijker door de struiken, mijn knieën staan vol met scharen tot bloedens toe, niemand van ons voelt zich nog echt veilig: de “bruine” kan nu achter elke struik staan en gaan we de hut vinden? We kunnen er zo voorbij lopen zonder er erg in te hebben. Er wordt nog weinig gezegd maar onze blikken spreken boekdelen. Na ± 800 m gekleffer komen we wonderwel recht voor de hut uit. Weeral opluchting. Toch knap van mij en Brecht dat we zo goed hebben kunnen koers houden zonder ook maar iets af te wijken. Dit was ongetwijfeld een hoogstaand staaltje bushwacken! We zijn nog geen 5 minuten in de hut of we zien nog iemand uit de bush komen. Het blijkt een meid te zijn van Alaska zelf. Geen simpel: hier in je eentje rondtrekken vergt leeuwenmoed. Ze werkt op een vissersboot 7 dagen op 7, werkt soms 12 uur per dag, is 4,5 maand onderweg. Ze werkt als matroos en heeft eigenlijk geen vaste verblijfplaats. Helemaal geen simpel dus. Door gebrek aan zalm is ze vroeger gestopt met werken en heeft ze via een mailorderbedrijf allemaal nieuw trekkinggerief besteld om hier te kunnen rond trekken. Dat was goedkoper dan al haar gerief in Anchorage te gaan ophalen. Ze heeft zich vanop de boot met een helikopter laten droppen in Brooks Camp. Een groundsquirrel heeft al aan haar nieuwe rugzak liggen knabbelen, zonde. Ze geeft ons hopen tips voor de komende 14 dagen en wil zelfs haar tent aan ons uitlenen als we zondag in Anchorage zijn. Het is een kleine vinnige meid en nu ga ik slapen want morgen rond 10 o’clock am staan die fucking tourists hier weeral.
Oh ja, de geologen wisten ons te vertellen dat er dit jaar nog opvallend veel sneeuw lag tegenover ander jaren. En nu ga ik slapen (als laatste). Vanuit de hut hebben we onze eerste moose zien voorbij lopen, vlak voor de hut, wat een groot beest zeg. Joepie. En een groot gewei met donkerbruine pels erover (= a huge velvet rack).

Donderdag 23 juli (dag 12)
Chris meets “beach grizzly”

We staan op om 7.30 am. We lezen het gastenboek eens door, het is al 2 jaar geleden dat er nog Belgen waren in Three Forks cabin. Er heeft iemand geschreven dat hij in de valley een giraffe en een t-rex heeft gezien, funny. De 1.50m kleine Alaska bush woman is al vertrekkensklaar. Ze geeft een telefoonnummer van in Anchorage “just in case we need her tent”. Toch vriendelijk van haar. Ze draagt steeds a wisthle with her for in emergancies, it’s better than screamin’, screamin’ makes it only worser. We hebben al een naam voor haar gevonden: “groundsquirrel”. We maken nog een braggelbak klaar en vetten onze bottinnen eens in, het is 7 dagen geleden dat ze nog eens droog waren. We vertrekken nu richting Brooks Camp over de gravel road, 38 km lang. We weten dat we veel kans hebben om moose te ontmoeten, want vanaf nu komen we in het groene Alaska: bomen (een soort dat ik nooit eerder zag => loofboom), struiken, bloemen, mos, gras, mooie dalen met plassen, soms schitterend verbonden door een kabbelende rivier (it must be very swampy out there). Ik zou liever daar beneden wandelen, to see the beavers making a dam and al that stuff, maar het is te swampy en dan komen we niet vooruit. Overal waar ik over de struiken kan kijken speur ik het dal af om een moose te zien. Tot nu toe zonder succes. Ik raak steeds meer onder de indruk van de uitgestrektheid van dit land dat nog grotendeels onaangeroerd is, zover je kijken kan is het the nature that rules, amazing.
Wat leuk is aan deze gravel road: elke kilometer is aangeduid. Ja ja, elke kilometer, niet mijl. We kunnen dus beginnen aftellen. We hebben nog 25 km te gaan als we al een glimp kunnen opvangen van het blauwe Naknek Lake waar Brooks Camp gelegen is, fantastisch. We gaan tegen een snelheid van iets meer dan 5km/u, very fast with such a backpack. We zitten in form en met de zon in onze rug hoor je ons niet klagen. A bit further down the road zien we onze groundsquirrel lopen. Ze vordert ook goed met haar korte beentjes. Ze heeft onderweg al een moose gezien. We komen juist te laat, shit. Een paar kilometer verder hebben we wel chance: we zien een moose in de verte drinken van een meer, zonder gewei, een vrouwtje dus. The second one. Om de paar kilometer loopt er een fazant voor onze voeten. Ze hebben ook jongen rond deze tijd. Die beesten zijn zo tam als maar kan zijn, ge kunt ze bijna zo pakken, maf. Er staan 3 rivercrossings op ons programma, alledrie a piece of cake want ze zijn kunstmatig ondiep gemaakt om de toeristenbus te kunnen laten passeren. De toeristenbus zijn we ook al tegengekomen ondertussen. Vanaf nu komen we in het bos terecht, geen mooie vergezichten meer, maar oppassen voor beren. Vanaf nu is ’t verder stappen op automatische piloot, this is the boring part. Omstreeks 3.30pm passeert de toeristenbus ons terug en in de verte zien we Loïsann de bus opstappen, ze zal moe zijn. By the way: een enkel busticketje Three Forks – Brooks Camp kost 40$. Er zijn wegenwerken aan de gang aan de gravel road. We zien o.a. een grader (scraper) passeren. Verderop zijn er een aantal camions over en weer aan ‘t rijden met een soort stabilisee die als toplaag dient voor de weg. Een wals zorgt voor de afwerking. Het is dus oppassen geblazen en op tijd de bos in duiken om de mastodonten te ontwijken. De chauffeurs zijn geen gewoon mannen: zonnebril, moustache, allemaal van hetzelfde kaliber, maar vriendelijk dat wel. We krijgen zelfs een lift , een hele klus om in de laadbak te geraken maar wel fun. Het is maar een lift van ± 1km maar dat was toch meegenomen. Als de buschauffeur dit te weten komt! Nog effe afzien tot in Brooks Camp. Het is al 18.00u gepasseerd, het werkvolk stopt en we krijgen weer een lift van ± 1km. Deze keer in de bak van een pick-up. Ze roepen ons nog achterna: “see you tonight in the bar!” Daar mogen we ons vanavond niet laten zien want we staan bij hen in ‘t krijt en dat zou dan wel eens een duur avondje kunnen worden. De vraag die ons bezig houdt is: zal het lukken om onze 2 gereserveerde vluchten te kunnen vervroegen?
We komen aan in Brooks Camp, mijn rugzak weegt nog steeds 57 pond. Het eerste wat we doen is naar de bar gaan. We beginnen alledrie met een Budweiser, die smaakt en dat voelen we ook, want we hebben nog niets warm gegeten vandaag en het is toch al 20.00u. Ik bestel een tweede Bud, Brecht en Chris nemen iets straffer. De sfeer zit er dik in want we moeten een geslaagd avontuur vieren. The office (waar de vluchten geregeld worden) is natuurlijk gesloten. Naast ons zit een vrouw aan de toog (native) en Chris vraagt of ze iemand kent die de vluchten van Katmai-Air regelt. Heel toevallig blijkt zij dat te zijn. Ze noteert al onze gegevens en op 10 minuten is alles al geregeld. Morgen om 11.00 ‘s morgens hebben we al een vlucht terug naar King Salmon. Dit is super. Potten pakken is dus toch voor iets goed he!
We gaan op zoek naar de campground want de barman is nen triestege pineut die geen bakkes zegt ondanks het feit dat we de enigen zijn aan den toog en heel wat hebben meegemaakt. De campground blijkt een gewone open ruimte te zijn in ‘t bos, vlak tegen het Naknek meer. De beren die hier talrijk aanwezig zijn kunnen dus hun vrije gang gaan tussen de tentjes. Enkel de vuurtjes, afval en eten moeten in een appart kot worden opgeslagen. Op de deur van het eten (“foodlocker”)en afvalkot staan diepe krassen in het hout. Iemand weet ons te zeggen dat er gisterennacht een beer een poging heeft ondernomen om in ‘t kot te geraken. Dat belooft dus. Ik en Brecht beginnen dan maar te koken, zo proper mogelijk. Chris gaat water halen aan een kraantje vlak tegen het strand. Ik hoor geroep in gekres op de camping… er blijkt een grizly over het strand te lopen. Chris, die op dat moment daar water aan het nemen is, merkt hem pas op als hij 5 meter van hem achter zijn rug doorloopt! Gelukkig negeert de beer Chris en wandelt rustig verder en duikt het meer in. Chris komt er met de schrik vanaf.
Vlug eten dan maar en rond elf uur gaan we eens naar de beruchte watervallen kijken waar de beren zitten te vissen. Het is ongeveer 1 km door het bos voor we het platform bereiken. Op dit uur zijn er geen rangers meer die het traject en het publiek in’t oog houden. We staan er dus alleen voor. Inderdaad, er zit een beer aan de waterval maar hij krijgt niets gevangen. Dan maar naar onze nest.

Vrijdag 24 juli (dag 13)
Lucky, lucky men

Alle drie zeer goed geslapen tussen de beren. Ontbijten, tent afbreken, berencontainer afleveren, ons verhaal van onze tocht doen. De reactie van alle rangers en werkvolk komt steeds op ’t zelfde neer “holy shit” of “congratulations”. Het blijkt hier niet de gewoonte te zijn om vanuit Brooks Camp tot aan Katmai Bay te gaan en terug. Iedereen staat er versteld van. We dachten dat ze hier meer gewoon waren. Ook de groundsquirrel (Loïsann) blijkt op de camping te staan. Toffe meid, mooie muts. We hebben nog heel even tijd vooraleer onze vlieger opstijgt. We kunnen nog vlug naar de falls; we staan op een wachtlijst om het platform op te mogen. Er schieten nog welgeteld 10 minuten over om beren te zien vissen. Als er een zit tenminste. Aanvankelijk geen beer te bespeuren, maar wel een vol platform met nieuwsgierigen. Ja, daar komt er één aan, weeral hoerenchance. Hij gaat beneden aan de waterval staan en steekt zijn kop volledig in ’t water. Na 30 seconden komt hij al boven met een grote zalm in zijn muil.

Hij gaat naar de kant om zijn lunch te verorberen. De vis spartelt nog een beetje tegen… een minuut later zit hij al in de beer zijn maag. De meeuwen hopen de restjes nog te kunnen oppikken. De muil van de beer is nog niet leeg of hij begeeft zich terug naar dezelfde plaats aan de waterval. Op identiek dezelfde wijze haalt hij weer een zalm boven, onvoorstelbaar. Dit tot 3 maal toe op 10 minuten tijd en wij zijn de gelukkigen die dit hebben mogen meemaken. Fantastisch. Regelmatig zien we een zalm zich omhoog werpen. De opdracht lijkt bijna onuitvoerbaar: tegen de sterke stroming in moet de zalm meer dan 1 meter hoger zien te geraken. Slechts enkelen slagen in hun opzet, de meeste vliegen te pletter tegen de rotsen van de waterval en kunnen in ’t beste geval nog een herkansing wagen met de laatste krachten die ze nog hebben.
Vlug terug naar het meer waar onze floatplane op ons staat te wachten. De vliegers landen vandaag op een andere plaats op het meer omwille van de wind. Het blijkt een groter vliegtuig te zijn voor 10 passagiers (bouwjaar = 1962, type Otter). 25 minuten later zetten we voet aan de grond in King Salmon. Spannend moment, wanneer zouden we hier weg geraken. Reeve Aleutian vliegt enkel vrijdags (=vandaag) en ’s zondags op Anchorage. King Salmon is een boerengat waar geen kloten te zien is, er loopt enkel nen hoop vissers rond. We hopen uit de grond van ons hart dat we vandaag hier weg kunnen, want anders zitten we hier vast tot zondagnamiddag en dat is voor ons veel kostbaar tijdverlies. De vlucht voor vandaag blijkt volgeboekt (=36 man). Shit shit shit. Ze kunnen ons enkel op een wachtlijst zetten voor in ’t geval dat er iemand niet komt opdagen. Ja iemand, dat moeten er dan wel 3 zijn op zijn minst. We hebben er dus geen goed oog in. We moeten binnen 2 uur nog eens terugkomen. We gaan ondertussen in een koffieshop gerookte zalm eten met een baggle (= een donut achtig broodje uit de microgolf). De zalm is een beetje zout maar smaakt lekker, ook het meisje dat de zaak uitbaat mag er best zijn. We e-mailen nog een boodschap naar huis. In het visitor center bekijken we een video over de Aleoeten eilanden en over de geschiedenis van hun inwoners, zeer leerrijk en interessant. Op ’t vliegveld weten ze ondertussen nog niets meer te zeggen. Dit zijn spannende minuten afwachten in de wachtruimte. We plunderen de chips en alle koffie die er nog is. De vlucht blijkt vertraging te hebben. We kunnen onze oren niet geloven als we onze ticketten in onze handen krijgen: “you ‘re on”. We zijn zo blij als een kind. Weeral hoerenchance, op ons ticket hangt een sticker “stand by”.
We moeten de vlieger in via de staart. Al gauw blijkt dat er 2 plaatsen te kort zijn of d.w.z. 2 passagiers te veel geboekt. Ik sta nog steeds recht, Brecht en Chris zitten al. Hoe kan dit nu? De hostessen verstaan het zelf ook niet, ze beginnen te tellen en te tellen, inderdaad 2 man te veel. Mijn eerste gedacht is “ik zal er wel af vliegen zeker, we hebben al te veel chance gehad vandaag”, maar nee hoor: er worden 2 andere “stand by’s” van het vliegtuig gezet! Ik krijg een plaats toegewezen. Ik ben pas gerust als de deuren achter mij dicht gaan. Oef! In Anchorage aangekomen gaan we op zoek naar info om de trein naar Seward te nemen. Maar eerst moet onze tent hersteld worden. Wij dus de bus op naar de REI- winkel. Een glasvezelstok vervangen kost al gauw 30$, dat zou veel geld zijn voor een tent waar het beste al van af is. En we hebben vandaag al onverwacht elk 35$ moeten afdokken om de vlucht naar Anchorage te kunnen vervroegen. De man van de winkel stelt voor om nog naar een andere winkel te gaan, namelijk “Gary Kings”. Wij dus naar Gary Kings, maar Gary Kings vinden blijkt niet simpel. We vragen de weg aan een mijnheer met een chique sportcar. We zijn serieus verbaasd als hij zegt “stap maar in”, want in zo nen auto is eigenlijk vanachter geen plaats voor nog eens 2 man. We wringen ons erin met de knieën opgetrokken. Chris zit vooraan, zijne gordel gaat automatisch dicht, waauw. Hij rijdt recht naar de Gary Kings-winkel tot aan de voordeur, vriendelijke man toch. In de winkel gekomen doen we onze uitleg over de tentstok… Een man die zich uitgeeft voor de tentspecialist van Anchorage en met haar als een kokosmat gaat direct naar de stockruimte op zoek naar ons gerief. Hij kan de stok herstellen, mits het nodige snijwerk en inkorting van de stokken. We maken van de tijd gebruik om eens rond te neuzen in de winkel (gelijkvloers + verdieping). Hier kunt ge weer uren rondhangen en verloren lopen. Er staan ook tenten van Mountainhardwear opgesteld, ze blijken de deur uit te gaan als zoete broodjes (het is dezelfde tent als die van de geologen waarin we 1 nacht hebben geslapen). De herstellingskosten zouden 10$ bedragen maar tegen de tijd dat de tentstok gemaakt is blijken alle deuren al gesloten. Wij naar de kassa om af te rekenen… we mogen niet meer betalen want de kassa is al afgesloten! Weeral hoerenchance.
Het is ondertussen al 9.30 pm. Het wordt moeilijk om nog een bus vast te krijgen naar de campground buiten ’t stad. Dan maar liften. We staan nog geen 5 minuten met onze duimen omhoog of we krijgen al een lift. Het is een vrouw in een “van” met haar zoon en dochter die ons oppikt. Een echte luxevan: video, aansluiting voor koptelefoon, aparte leeslampjes + airconditioning voor elke inzittende, afwerking in hout, lederen zetels, … dit is nen duren bak. Zij maakt speciaal voor ons nen omweg tot aan de camping. Toffe vrouw, maar haar kinderen zijn veel te veel verwend.
Wij ons gesetteld op de camping (waar we nog al geweest waren) en een taxi vastgelegd om ’s morgens op tijd naar het treinstation te geraken. Het belooft een korte nacht te worden want om 4.30 am moeten we al uit onze nest.

Zaterdag 25 juli (dag 14)


Railroad to Seward

Vroeg uit de veren dus. Onze taxi zet ons af aan het treinstation, we gaan naar de balie voor een enkel ticketje Seward. Zou dat nog lukken zonder te reserveren? Spannend. Het blijkt te lukken. Voor 43$ hebben we een enkel ticketje. Dit wordt een lange rit. We vertrekken om 6.40u en zouden aankomen iets na 11.00u. We stappen de trein op en we zitten in “adventure class”.

Een abnormaal geweldig knappe poppemie wenst ons welkom aan boord en spreekt ons toe, ze zou ons doorheen heel de trip gidsen, een soort sight seeing. Tof. Achteraan in de trein is er zelfs een bar + restaurant. Tussen de wagons is er een open zone (zonder glas), waar je mag roken en waar je foto’s kan nemen. We rijden langzaam Anchorage buiten. We passeren een buitenwijk waar in elke tuin een vliegertje staat, de straat die door de wijk loopt dient als landingsstrip en startbaan. Dit is eigenlijk gevaarlijk en wettelijk niet toegestaan, maar de wijk is zo oud dat er nu de erfgenamen wonen en er bestaat zoiets als het “grootvadersrecht” wat wil zeggen dat de erfgenamen er nog steeds recht op hebben. Ze kunnen dus gelijk wanneer in hun vliegertje stappen en vertrekken.
We rijden de stad uit en krijgen uitleg over de ontdekking van Anchorage door Captain Cook, de Cook Inlet, Turnagain Arm en Knik Arm, hoe de naam Anchorage is ontstaan enzovoorts. By the way Anchorage is pas ontstaan rond 1916. Brecht en Chris hebben moeite om zich wakker te houden door de korte nacht. Ik houd moedig vol en geef mijn ogen de kost. We passeren Moose Pass, Portage Glacier, melkwitte meren ingesloten door wouden, moerassen en ontelbare plassen met dode bomen in vele baaien omsloten door evenveel bergen met eeuwige sneeuw. We zien ook een moose die staat te grazen. Geen wonder, de trein rijdt speciaal tegen een slakkentempo om alles buiten goed in de gaten te kunnen houden.

Het is de moeite ook. We passeren ook ingestorte oude huisjes als gevolg van een aardbeving.
In Seward aangekomen regent het pijpenstelen en is het er bijzonder fris. We kuieren wat door de weinige straten die Seward rijk is. Er heerst een gezellige sfeer ondanks de laaghangende wolken, de mist en de plensende regen. Seward ligt aan en rond de Resurection Bay. Het is een echt vissersdorp. We begeven ons naar het visitor center waar we een video te zien krijgen van een expeditie over de “Harding Icefields”, een immens grote ijs- en sneeuwvlakte waar je je op de Noord- of de Zuidpool waant. Indrukwekkende expeditie! Achteraf vragen we info over meerdaagse en ééndagstochten, kajaktochten, vissen, seatours with a boat, campings, supermarkten enz… De camping in ’t dorp is volzet volgens de vrouw van het visitor center. Er zou een camping zijn op 1 mijl buiten Seward. Maar eerst gaan we naar de supermarkt, weer door het hondenweer. Daarna gaan we iets eten in de bakery. Hier hebben ze lekkere gerechten met brood. Ik neem een dikke soep met brood en er zijn nog wat groenten bij. Lekker. Naast ons zit ne gast met lang haar van rond de 30. We maken kennis met hem: hij komt van de Lower 48, hij heet Mike en hij is hier als flight-instructeur. Hij heeft zelf 2 vliegtuigjes (met wielen) en hij heeft een 30-tal leerlingen van allerlei nationaliteiten, waarvan hij er enkele hier vliegles geeft (wegens te heet in California!). 1 van zijn leerlingen heeft nog slechts enkele vlieguren nodig om een commercial pilot te kunnen worden. Hij vraagt of wij eventueel geïnteresseerd zijn in een vlucht tegen een schappelijke prijs. Natuurlijk zien wij dat zitten, enkel het weer is de spelbreker en de weersvoorspellingen voorspellen weinig goeds. Hij heeft gisteren nog 2 meisjes meegenomen in ruil voor een lunch voor 2 personen + verder uitgaan op hun kap. (Tijdens hun vlucht vroegen de meisjes of ze mochten “smoren” in de vlieger = goe crazy.) Mike heeft ook iets tegen the American Government en Bill Clinton. Ze hebben spion-leerlingen gebruikt om te checken of hij niet smokkelde, en omdat zijn papieren van zijn 2 vliegers niet in orde waren moest hij 3000$ dokken. Hij heeft ondertussen al een plan om de kerel die hem dat gelapt heeft terug te klissen. Verder begint hij over politiek te zeveren en het verschil tussen Alaska en de andere 48 staten. Hij is een echte spraakwaterval. Voor we het door hebben is het al 2 uur later en zijn onze postkaarten nog niet geschreven. Hij heeft ook nog een verhaal van ne piloot die al 7 keer crashte en daar nog fier op is ook. We nemen afscheid van Mike en begeven ons campingwaarts. De camping blijkt via een 3 mijl lange gravelweg bereikbaar in plaats van 1 mijl zoals men ons vertelde in het visitor center. Dit valt tegen en het is ontzettend onpraktisch als je te voet bent (zo ver van het dorp). De camping zelf is ook een grote ramp: smerig, overal slijk en plassen, geen gras, geen enkel vlak stukje en als er dan toch een is, is het gereserveerd. Het volk op de camping staat ons ook niet aan: gepensioneerden met mobilhomes zo groot als een bus, zigeuners, lawaaimakers en vissersvolk alom. De ligging op zich is wel schitterend, aan de oever van de baai. Iedereen huurt hier een bootje om in de baai op zalm te vissen. De camping blijkt nog duur te zijn ook: 15.50$ + een reglement van 2 bladzijden lang van wat allemaal niet mag, maar ja, we hebben geen keus. We wandelen eens langs de oevers van de baai, schitterend gewoon in deze romantische omgeving. En dan onze nest in.

Zondag 26 juli (dag 15)
Alaskan sealife

Laat opgestaan, overlegd wat we gingen doen. Chris zou met een cruise meevaren om naar de gletsjers te gaan kijken en naar het zeeleven. Ik en Brecht besloten om te gaan zeekajakken. We hadden gehoopt om naar gletsjers te kunnen varen, maar dat ging enkel onder begeleiding van een gids of door u te laten droppen en dat kwam te duur uit. We moesten dus vertrekken vanop de camping “Millers Landing”. We moesten eerst nen helen hoop papieren ondertekenen, contract, waarborg een hele zever. Kortom, als we verzopen dan lag dat aan ons eigen. Het meisje van de camping gaf ons reddingsvesten, een reservepeddel en een opblaasbaar kussen. We vroegen hoe ver we mochten varen. Wat we in ons hoofd hadden was enkel voor ervaren zeekajakkers. We kregen uitleg van hoe we het moesten bedienen maar ook hoe we terug in de boot konden geraken als we er uit zouden vallen. Toen zaten we toch even met de poepers, want ze gaf een uitgebreide uitleg en het was menens. Als ge hier in de baai omkiepert zijt ge binnen de kortste keren onderkoeld en te paniekerig om terug in uwe kajak te kunnen kruipen. Het water was natuurlijk ook kei diep + dat we rekening moesten houden met de schepen en vissersboten. We moesten met de punt recht op de golven varen.
Brecht had zijn visgerief meegenomen want we waren vast en zeker van plan een paar grote zalmen boven te sleuren. Om 15.00 u gingen we dus ’t water in. Dat viel tegen, zo ne zeekajak is niet zo stabiel als we dachten, we moesten ons echt concentreren en achteromkijken durfden we niet uit schrik om ons evenwicht te verliezen. Na een tijdje wennen gingen we aan de kant om wat te eten en te vissen. Geen succes: Brecht zijnen haak geraakt altijd vast in de rotsbodem en dan moest ik mijne kajak in om den haak terug los te krijgen. We kozen dus terug het ruime sop en werden langzaam maar zeker wat geruster in onze kajak. Zo gerust dat Brecht probeerde om vanuit de kajak op volle zee te vissen, en met succes! Hij haalde een fatsoenlijke vis boven maar het was geen zalm en dus zetten we het beest maar terug. De daarop volgende uren haalden we niets meer boven, we gingen steeds op zoek naar betere plaatsen in de baai om ons geluk te beproeven. Steeds genietend van de machtige omgeving die we van op ’t water konden bewonderen. Een baai volledig omsloten door bergen, veelal begroeid met dennen en toppen bedekt met sneeuw. We voelden ons echte eskimo’s. Het water was dan ook kraakzuiver en we konden grote kwallen zien drijven en even later zelfs een zeeotter. Het beest staarde ons aan, ik probeerde naar de otter toe te varen maar telkens ik tot op 10 meter genaderd was dook hij onder, hij was echt met mijn voeten aan ’t spelen. Even later ging hij op zijnen buik liggen, koddig om te zien. Later zouden we van de Chris vernemen dat er in de baai (Resurection Bay) een walvis rondhing. Waauw, en wij hebben daar gekajakt. Stel je voor dat dat beest vlak voor uwe neus eens een luchtje komt scheppen! Het kajakken was niet altijd even simpel: er zat stroming op ’t water waardoor we soms bijna ter plaatse bleven. Nu hadden we een goede plaats gevonden waar de vis wel beet, we konden ze soms met 3-4 tegelijk naar den haak zien happen maar ze bleven er niet goed aanhangen zodat we er maar enen in onze kajak kregen. Ne “Black rock fish”. Maar gene zalm tot grote ergernis van de Brecht.

Het werd hoog tijd om terug te draaien want om 23.00 u moesten we onze kajaks terug inleveren en achter ons begon de mist in de baai op te rukken en begonnen de wolken de bergtoppen te omhullen. Mysterieuze sfeer was dat. Om 22.55 u bereikten we de camping terug. Dat was maar juist op ’t nippertje.
Chris was ondertussen ook al terug op de camping met zijn verhaal over zijn zeetrip. Alles had hij gezien: walvissen, orka’s, zeeleeuwen, papegaaiduikers, arenden, gletsjers en allerlei andere prachtige fauna en flora. Dit alles met een deskundige uitleg en een heerlijke maaltijd (geroosterde zalm). Iedereen dus content.
Op de camping was een kleine party aan de gang van nen hoop Amerikanen met kampvuur enzo. We passeerden er en ze nodigden ons direct uit. Ze waren de hele dag op zee geweest om zalm te vangen (met een bootje dat ze huurden op de camping) en met succes. Ze hadden hem klaargemaakt met zilverpapier op ’t kampvuur. Daarbij nog wat pasta en gekookte maïskolven. Ze hadden nog overschot, dus mochten we mee eten. Ne maïskolf, keigoeie zalm, ne joekel van ne vis en toen opende ze hunne koelbox, die uitpuilde met blikjes Budweiser. Te veel voor hen alleen dus mochten we nog meedrinken ook. Het deed ons denken aan onze kanoweekends in de Ardennen. Het was bijna allemaal volk dat in de zomer in Denali National Park werkte, allemaal volk van de Lower 48. Nick, de meest sympathieke gast, raadde ons aan van naar Denali te gaan, zeker als je hiker bent. “Almost untouched wilderness”. Van wachttijden van 3 dagen was volgens hem geen sprake. Hij legde ons het systeem uit van hoe ze ginder te werk gaan met hikers. De rest van de bende begon zatter en zatter te worden en waren nog zinnens om Seward city downtown onveilig te maken. Nick gaf zijn adres door waar hij woonde voor als we ons zouden bedenken. Dan mochten we na onze tocht in het park wel bij hem komen douchen. Vriendelijk toch. Nu onze nest in en slapen.

Maandag 27 juli (dag 16)
Beir face to face with a black bear

Opstaan en tent opbreken want op deze camping bleven we liever niet langer dan nodig. Nu moesten we terug in Seward downtown geraken. Het lukte ons weer vrij snel om een lift te versieren, in de bak van ne pick-up. Het was toch maar 3 mijl.
In Seward is er ook een Sealifecenter en het leek ons geen slecht idee om hier wat meer kennis op te doen i.v.m. het zeeleven aldaar in de Resurection Bay. Het bleek vooral een onderzoeks- en educatiecentrum te zijn. De uitbaters wilden ten allen tijden vermijden dat hun center als een ordinaire zoo aanzien zou worden. Informatief en leerrijk was het dan ook alleszins met honderden aquaria waarin zowel zeewiersoorten, kwallen als zeeleeuwen rondzwommen. Er was zelfs de mogelijkheid omeigenhandig te voelen hoe diverse soorten zeesterren aanvoelden. Om de haverklap ging er wel ergens een informatiesessie door over een bepaald dier of aspect uit het rijke zeeleven. De sessie over de zeeleeuwen was best leerrijk. Er werd uitgeweid over de opbouw en dikte van hun vetlagen, hun ultralage hartslag en welke invloed elke voedingssoort op hun gewicht en gedrag teweeg bracht. Er werd ook tijd gemaakt voor een vragenronde. Weer een ervaring rijker dus.
Ondertussen hadden we een hongerige maag gekregen en sprongen we een restaurant binnen. Er hingen overal krantenartikels en foto’s aan de muren van de uitzonderlijke loopwedstrijd die er jaarlijks plaatsvindt op de 4th of july. Een loopwedstrijd die start in Seward en daar ook aankomt, een race naar de top van de Mount Marathon en terug. Zottewerk dus. Dat zou echt nog iets voor mij zijn. De wedstrijd is al een zeer oude traditie die vroeger als een weddenschap begonnen is. Die wedstrijd wil ik wel eens meemaken. Ondertussen hebben we besteld: nen hamburger + broodje + frieten (zeer dik gesneden) + nog wat groenten. Best lekker. + nen Alaskan Amber, ook lekker. Het rare is dat iedereen om te beginnen ne pot krijgt (= ne geleipot) met plat water met veel ijsblokjes, zodat ge eigenlijk niet persee extra drinken hoeft te bestellen. Die geleipot vind ik toch maar raar, want daar word ook de frisdrank in geserveerd. Daarna was ons plan om zo rap mogelijk aan de “Exit Glacier” te geraken, maar die ligt vele kilometers buiten Seward, weer liften dus. Er rijdt ook een bus naartoe, maar als we kunnen besparen dan doen we het + extra avontuur in de plaats. Het is al een heel stuk in de namiddag en het liften blijkt niet zo goed te lukken maar uiteindelijk geraken we toch weg met ne kerel met dikke dreadlocks die zo oud is als ons. Hij komt van de Lower 48 maar woont nu al 3 jaar in Moose Pass en wil voor geen geld van de wereld terug naar de Lower 48. Het is een krel van nen auto, zijn voorruit telt een stuk of 10 barsten en zijn kilometrik blijft constant op nul staan. Den auto zit vol houten platen en vol zagemeel, we kunnen er nog juist in want we hebben maar een dagrugzakje bij. In de zomer is hij schrijnwerker (het groffer werk denk ik), in de winter slaapt hij en doet hij aan snowboarden. Hij vraagt of we marihuana roken en is enigszins verbaasd als we nee zeggen. Het schijnt dat er in Alaska het beste stuf te verkrijgen is en dat de cops het meest tolerant zijn tegenover het gebruik van drugs, vergeleken met de Lower 48. De gast vraagt of we ook naar de “Harding Icefields” gaan. We weten hier niets van, we dachten dat ge hier speciaal materiaal voor zou nodig hebben om daar op te kruipen, maar de gast zegt dat er een trail loopt naar de ijsvlakte. Hij maakt een serieuze omweg om ons vlak voor de ingang van het gletsjerpark te kunnen droppen, dat is hier precies de gewoonte.
We beginnen uiteraard met de lusvormige wandeling langsheen de gletsjer die trouwens elk jaar een stuk korter word. Er staan overal plakaatjes om aan te tonen tot waar de gletsjer vroeger reikte. Het is een gletsjer met enorm veel diepe kloven en op sommige plaatsen kan je een prachtige helblauwe schijn waarnemen. Een kijkje van dichtbij leert ons dat het ijs is opgebouwd uit allemaal samengeklitte ijsblokjes. Het ijs heeft een veel grotere dichtheid dan een ijsblokje uit den diepvriezer. Dit komt door de grote druk en de meters dikke ijslagen die mekaar verdichten.
Algauw hebben we onze lusvormige tocht afgerond en er is inderdaad nog een trail die naar de “Harding Icefields” leidt. Daarvoor moeten we 900m klimmen langs smalle stijle bergpaden. Aan de trailhead ligt een gastenboek, bij de commentaar staat verscheidene malen “seen 3 black bears”. Shit, we hebben onze berenspray in onze tent laten liggen. We besluiten toch te beginnen aan de tocht, want we zijn wel curieus. We hebben er al een video van gezien en dat was al indrukwekkend. De pad is inderdaad stijl en bezaaid met rotsblokken. Bij Brecht en Chris doet dit denken aan de GR20 in Corsica. De berg is begroeid met bomen en struiken. Plots zien we een marmot lopen, vrij close zelfs. Het beest is zo groot als een dikke kat en heeft een mooie pels en een dikke staart. Het lijkt wat op een heel grote cavia. Des te langer we onderweg zijn, des te meer marmotten we zien opduiken en geen van allen is mensenschuw. We moeten goed opletten waar we onze voeten zetten op deze pad. Ik ga op kop en zet een stevig tempo in met volle concentratie op de pad. Plots hoor ik Brecht en Chris “Beir Beir Beir” roepen. Ik kijk voor mij en zie plots een zwarte beer vanachter de hoek over de pad lopen in onze richting! Hij is nog slechts 5m van mij verwijderd. We blijven kalm en gaan zachtjes achteruit, naar links of rechts gaat niet want dat is vrij steil en dicht begroeid. De ± 2 jaar oude beer negeert ons en gaat van de pad af, hij gaat naar beneden de bosjes in. Een opluchting. We proberen hem in ’t oog te houden in de struiken, maar hij verdwijnt al snel uit ons zicht… Zou de moeder in de buurt zijn? Dat is nu de grote vraag! We blijven een tijdje op de pad staan en besluiten met alle voorzichtigheid de tocht verder te zetten. Een tijdje later zitten we al boven de boomgrens en moeten we over stukken sneeuwvlaktes stappen. Sommige vrij stijl. We zijn al 1.30u onderweg en zo te zien is het nog een heel eind stappen. We zitten met 1 probleem: het is al 18.30 u en de meeste mensen hebben het gletsjerpark waarschijnlijk al verlaten. We moeten willes nilles een lift zien te versieren straks, want als we helemaal terug tot in Seward zouden moeten stappen, dan zal het kot in de nacht zijn vooraleer we terug in het dorp zullen arriveren. Na overleg besluiten we toch maar verder te gaan, op goed geluk. We zijn nu al zover gekomen en hebben nu al zoveel zweet gelaten dat het spijtig zou zijn als we op dit punt zouden terugdraaien. Wij verder dus. We komen een tegenligger tegen en vragen of het de moeite is daarboven. Hij zegt van wel, hij lijkt nen toffe kerel. We leggen onze situatie uit en zeggen dat we dus voor een dilemma staan. Hij zegt: “Ga gerust tot boven kijken, ik zal jullie straks wel een lift geven tot in Seward.” Terwijl hij eigenlijk de andere richting uitmoet (Anchorage). Dat is dus afgesproken. We hebben weer hoerechance. Na een extra half uur door de sneeuw ploeteren krijgen we een adembenemend uitzicht op de icefields met hier en daar witte heuvels die het landschap breken. De ijsvlakte is 48 km breed en 84 km lang, de Exit Glacier is slechts 1 van de uitlopers.

Door de grote hoogte krijgen we ook een prachtig uitzicht in alle andere richtingen 360° rondom. We worden er stil van en genieten met volle teugen, de klim van 900m was dus best de moeite waard. Nu terug afdalen, leuk, we kunnen van zeer hoog naar beneden jumpen. In de sneeuw amuseren we ons rot. We beginnen zelfs te broekskiën. De helling is stijl genoeg om serieus wat snelheid te halen al zittend. Fun. We kunnen ons amper bedwingen tijdens het downhillen. We willen de gast terug inhalen die ons een lift zou geven. ’t Is te hopen dat dat gene zwans was van hem. Na 40min afdalen hebben we hem te pakken. Hij schijnt ook van de Lower 48 te zijn en is bioloog van beroep. Hij moet met dokters vergaderen enzo. Hij had vandaag een dag vrij. Hij klimt ook graag en zou volgend jaar graag de Mount McKinley willen beklimmen. Hij heet Peter en is ongeveer even oud als wij. Zijne mond staat niet stil. Morgenvroeg moet hij in Anchorage zijn voor zijn werk, dat is nog een serieuze trip met de auto om vanavond nog te doen. Dat brengt ons op een idee. We vragen of we met hem niet mee kunnen naar Anchorage want dat ligt op de weg naar Denali. Het is voor hem ok. We moeten in Seward nog wel onze tent opbreken, dat blijkt allemaal geen probleem te zijn voor hem. Zo gezegd, zo gedaan. We smijten onze bullen in Peter’s car, gaan nog vlug langs de supermarket om iets te hebben voor onderweg en weg zijn we. Het klikt goed tussen Peter en ons. We praten over vanalles en nog wat: Tour de France, muziek, ons werk, klimmen, alle sporten, meisjes… Ja, het is nen echte gefrustreerde meidengek. Ter hoogte van Moose Pass hadden we iets voor: een moose liep in ’t midden van de weg voor ons uit, Peter moest serieus op zijn rempedaal duwen om hem te ontwijken. Als ge zo ‘n kolos van een beest raakt met volle snelheid, kunt ge uw car gegarandeerd met het oud ijzer meegeven. De tijd vliegt verder voorbij.
Het is ondertussen al middernacht gepasseerd. Rond 00.30 midnight zet Peter ons af op de campground. We wisselen nog onze adressen uit. Dat was het dan voor vandaag, in het donker zetten we onze tent op en gaan maffen.
By the way, de lift van Seward naar Anchorage is zomaar eventjes 203km. Veel geld uitgespaard dus, en een avontuur rijker.

Dinsdag 28 juli (dag 17)
A long hitch-hike to Denali

It ’s my birthday today “27”. But I don’t mind!
Tegen de noon aan kruipen we uit onze tent en lachen we het zonnetje tegemoet. Een ideale kans om onze spullen wat te laten drogen. We stallen al ons gerief uit, de Chris laat zijn Meindl’s in de zon drogen en verluchten. Er blijkt een hond rond te lopen op de campground. Hij heeft blijkbaar wel interesse in Chris zijn bottinnen. Zonder te twijfelen neemt hij een bottin in zijn muil en loopt ermee de bos in, heel toevallig ben ik de enige die dit in de gaten heeft. Ik sprint als een gek de hond achterna, hij versnelt nog als hij merkt dat ik hem achtervolg. Ik roep vanalles om het beest tot andere gedachten te brengen, met succes. De hond laat de schoen vallen in de volle bos waar de bodem begroeid is met hoog gras. Van hoerechance gesproken. Als ik dit niet in de mot had gehad, kon de Chris nieuw bottinnen gaan kopen. Zijn Meindl’s kosten 7.000 ballen. We pakken onze rugzakken in en vertrekken voor een lang avontuur: we hebben besloten om naar het Denali National Park te gaan, de Nick en de groundsquerrel raadden het ons aan en dat geeft de doorslag. Het is een trip van 380 km. We vinden het natuurlijk avontuurlijker om dit al liftend te doen.
Alvorens ons liftavontuur aan te vatten passeren we nog vlug langs de liquor store. Ik tracteer de Brecht en de Chris op nen Alaskan Amber en we settelen ons in de zon, op de parking van de liquor store. Er stappen 2 klanten uit een auto die ons op hun manier laten weten dat van een biertje genieten in het openbaar in de States uit den boze is. “Shame on you, drinking in public.” Ook de uitbater van de liquor store maakt ons duidelijk dat dit strafbaar is. We verontschuldigen ons en genieten van onze laatste teugen vanop een minder in het oog springende plaats.

Het is al laat in de middag als we onzen duim beginnen uitsteken aan de oprit van de highway. Den eersten die stopt, is nen hippie met lang haar, hoofddoek in zijn haar en rond de 40. Hij wil ons graag een lift geven maar hij heeft ne camion met een plateau zonder verticale platen. Iets te gevaarlijk dus. Als ik zeg dat we naar Denali willen, geeft hij ons nog vlug nen tip: “McGonagall Pass”, daar moeten we onze hike beginnen volgens hem. Ne schonen tip, dit is direct duidelijk. Even later stopt er een krel van ne pick-up met sjirpende banden, we mogen mee. Het is ne schilder. Hij raadt ons aan om een plakkaat te maken waar duidelijk onze bestemming op staat. Het liften lukt niet meer zo goed als vroeger zegt hij: er is de opkomende criminaliteit die de veiligheid van de burger ondermijnt. Hij brengt ons tot aan “Eagle River”, op naar de volgende lift. Er stopt een knap opgemaakte Plymouth. Ne bak van begin jaren 60. Ne kerel van 18 jaar met dito outfit (leren jekker, wit t-shirt) lijkt zo weggelopen uit een Greasefilm. De muziek maakt het spel helemaal compleet, lekkere rockabilly van de Stray Cats. Dieje gast zo fier als ne pauw pronkend met zijn car. We krijgen er alles juist in, na zorgvuldig tassen, duw en trekwerk. Voila, weer 15 mijl dichter bij Denali. De volgende lift is van ne kerel die ook in Alaska woont en ook veel hiket. Hij is rond de 20. Hij brengt ons weer 20 miles closer. De volgende lift is weer ne pick-up. Weeral van nen inwoner van hier, het echte cowboytype, hoed, paardestaart, jeansbroek, cowboyboots en a large knife aan zijne centuur. Ne coole gast, weer zo ’n 20 mijl dichter. Hij vraagt of we klimmers zijn, een vraag die ons nog meermaals gesteld zal worden. Was dat maar waar. De volgende lift is ne schoolleraar (geeft les in Anchorage), hij waarschuwt ons voor de beren. Eergisteren zat er weer ne beer in de vuilbakken op ’t school zei hij. De berenspray is beter dan niets volgens hem, maar is pas effectief als je op 5 meter verwijderd bent van de beer. Pepperspray in kleine concentraties zou de beren juist aantrekken (it’s like candy for them) uw kledij en materiaal dus zeker niet behandelen met pepperspray, het heeft een omgekeerd effect. Hij heeft zelf al een bluff charge meegemaakt van moeder grizzly, toen hij tussen baby beer en de mama terecht kwam. De kerel was met zijn vriend aan ’t jagen op klein wild toen hij dit voorkreeg. Ze hebben toen 2 schoten gelost boven de beer, maar dat bleek de beer niet te deren. De 2 jagers besloten van 2 kogels over te houden; one for me and one for my friend. Gelukkig was het niet nodig. De man zet ons af in “Willow”, een boerengat in the middle of nowhere. Hier begint het verkeer ook serieus af te nemen qua drukte. De man geeft ons alledrie nog een blikje bier er bovenop, wat is liften toch leuk in Alaska. We kunnen dus terug onze duim beginnen uitsteken, er komt slechts sporadisch een auto voorbij. Hier zitten we echt heel remote. We hebben eigenlijk geen goed gedacht hoever we nog van Denali zijn verwijderd, we schatten nog een 100 km. We hebben al 5 liften achter de rug en zijn nog ver van onze bestemming verwijderd. Het is ondertussen 21.00 h gepasseerd, ik heb er geen goed oog in, Chris en Brecht ook niet echt meer. Met steeds minder overtuiging blijven we onze duim uitsteken, terwijl we de boskant al afzoeken naar een plaats om onze tent neer te planten. Wat we niet verwachtten gebeurde: een pick-up met een open bak stopt voor ons. Ne beer van ne vent zegt dat we de bak in mogen. Hij rijdt helemaal tot Denali, naast hem zit ne native, half gedrogeerd. We nemen het aanbod aan, alhoewel het al behoorlijk afgekoeld is op dit uur. Wij de bak in dus want dit is onze laatste kans om vandaag Denali nog te halen. Het belooft een lange trip te worden. Hoe lang zou het nog rijden zijn, 2 uur? 3 uur? (Later zou blijken dat onze openlucht-ride 280 km lang zou zijn) Ik liep nog in mijn korte broek rond. Goretex volledig dichtgetrokken inclusief kraag en kap. Die mannen vlamden goed door hoor. Qua avontuur kon dit wel tellen vonden we. En wat voor een uitzicht! Des te dichter we Denali naderde des te straffer de bergen werden. We konden zelfs het massief van de Mount McKinley zien. Waauw. Het begon nu stilaan te schemeren en links van ons kwam vanachter de bergen een blauwe schijn loeren, heel speciaal licht en heel speciaal blauw. Het zorgde voor een mysterieuze sfeer, maf gewoon. Gelukkig werd er een plaspauze ingelast, want mijn blaas stond op springen. Die gasten hadden ook een halve koelbox vol coca-cola blikjes. Ook nu werden we weer getrakteerd, het kon blijkbaar niet op. Het was tenslotte niet voor niets mijn verjaardag. Kot in de nacht arriveren we uiteindelijk in Denali, een dorpje dat duidelijk leeft van het toerisme: giftshops, helikoptertours, rafting, flightseeing, noem maar op. The big money dus. We vragen waar er een camping is. Ze sturen ons 1 mijl verder de weg op. Daar zouden we gratis kunnen kamperen. Wij de baan op in den donkere. We hebben nog geen halve mijl gegaan of er stopt een jong koppel (onze leeftijd) met een klein autootje. “Can we give you a ride?” We zeggen dat we maar een halve mijl moeten wandelen naar de camping, en hun autootje is trouwens veel te klein (kleiner dan onze citroën AX) om 5 mensen + 3 zware rugzakken te vervoeren. Het koppel dringt hardnekkig aan om ons een lift te geven. Die zijn zeker zot, zo kunde uwen helen auto naar de vaan helpen. Uiteindelijk stemmen we dan toch toe om ons te mogen vervoeren. Dit is onvoorstelbaar. Ene rugzak raakt met veel duw en trekwerk in de koffer, de andere 2 rugzakken moeten op onze schoot, om dit te verwezenlijken zijn er heel wat maneuvers nodig. Het koppel brengt ons uiteindelijk naar een camping 11 mijl buiten Denali (=Healy) zonder dat we dit vroegen, maar het is goed bedoeld natuurlijk. Nu zitten we 11 mijl uit de richt om morgen terug Denali te bereiken en het park in te kunnen maar soit. Nu is ’t avontuur helemaal af, wat een verjaardag. Pompaf settelen we ons op den tast op een camping die er in het donker best proper uit ziet.

Woensdag 29 juli (dag 18)
Well prepared into the wilderness

We ontbijten en pakken in. We duimen om zo snel mogelijk terug in Denali te geraken. We hebben chance: een man van ± 55 jaar met een “van” zet ons af voor de ingang van het park. Ne service die we stilaan als normaal beginnen te beschouwen. In het visitorcenter van het park steken we ons licht op.
We krijgen er een uitgebreide uitleg van de gang van zaken voor “the backcountry” en “the backpakkerspermit”. Het gebied waarin mag gehiked worden is verdeeld in 43 secties en in elke sectie is het aantal hikers beperkt van 3 tot 12 man per sectie tegelijkertijd. Hier moeten we dus rekening mee houden voor de planning van onze trip. Heel veel secties blijven er niet meer over om in te starten. Als we onze planning doorgeven, moeten we nog via de “simulator” passeren (een 45 min durende video, interactief met vragen en antwoorden). Het gaat over handelen met beren, rivercrossing, hoe en waar kamperen enz… Als we de video gezien hebben moeten we terug naar de balie. Daar moeten we onaangekondigd een mondeling exaam afleggen. We moeten elk om beurt een vraag beantwoorden om te checken of we ons voeten niet hebben geveegd aan die video. Geslaagd in 1ste zit, oef. We laden onze berentonnen in (zo ’n tonnetje weegt ± 2,5 kg) en gaan de camperbus op, opweg voor een trip door het park. Onze sectie waar we onze hike beginnen ligt toevallig aan “the very end of the road”, de enige weg die door het park loopt. Er staat ons dus een sightseeingtrip te wachten van 140 km over een weg die voor de 1ste 40 km geasfalteerd is, daarna is ’t gravel en steile haarspeldbochten, diepe afgronden. Onze buschauffeur is Dick, een man van rond de 50 jaar. Alvorens te vertrekken steekt hij een speech af van zeker 20 min in verband met de regels van de bus. Nen echte peewee. Spijtig genoeg is het weer barslecht en het zicht dus minimaal. Maar toch wordt ons al gauw duidelijk hoe immens groot dit park wel moet zijn. Als de chauffeur ergens dieren ziet, stopt hij en kan je rustig de tijd nemen om ze te observeren. Zo kregen we onder andere te zien: dall sheep, een hele nest kleine fazanten, marmotten, ne nest met 2 jonge golden eagles die een dezer dagen hun eerste vlucht zullen wagen. Zo nen eagle is in staat om een marmot tot prooi te maken, en dat is toch al geen klein beestje meer hé. Het is voor hen een “happy meal”. Af en toe passeren er volle schoolbuses met toeristen die een soort safari doen. Ze zitten dus uren in de bus in de hopen een paar beesten te kunnen zien. Als ge een grizzly, een moose, een kariboe en een wolf ziet, dan noemen ze dat een “grand slam”. Dit is uiteraard uiterst zeldzaam. De buschauffeur vertelt dan allerlei wetenswaardigheden in verband met de dieren en planten en beantwoordt al de gestelde vragen.

Het weer wordt er niet beter op en de regen wordt heviger, dat ziet er niet goed uit. Plots loopt er een grizzly voor ons uit op de weg, hij voelt zich duidelijk opgejaagd door de bus en duikt de willow in. Hij is spoorloos verdwenen. Na een lange rit over slechte wegen bereiken we uiteindelijk Kantishna, ons vertrekpunt. Ik ben verbaasd als ik opmerk dat ze er een groot gebouw hebben neergepoot “the north face hotel”. I don’t like this. Is this untouched wilderness? Allemaal geldklopperij, in de Lonely Planet staat dat een dag/nacht verblijf 10.000 ballen kost! Ge kunt er dan mountainbiken, ritje maken met paard en huifkar, een wandelingetje maken langs het kaarspoor dat waarschijnlijk speciaal hiervoor is aangelegd. Er zou ook ne sauna zijn enzo. Het zit er vol met stinkend rijke oudjes, this sucks. We hebben chance dat het even niet regent als we gedropt worden. Hét moment om even iets warms klaar te maken. Het is al 21.00u en dan maken dat we uit het zicht zijn van dat klotenhotel. We zitten midden in een zeer uitgestrekt toendragebied. Dit wil zeggen ne mosbodem die diep inzakt bij elke stap + overal struikjes en of struiken en af en toe zeer drassige stukken. We hebben geen andere keuze dan onze tent op de struiken en mosbulten te zetten, geen super-de-luxe vlak bedje dus. Als iemand van ons drieën op een superhoge bult moet slapenis onze leuze: “Ach, daar kan je wel gaan rond liggen!” We zijn nog maar juist gesetteld of we zien in de verte al ne zwarte beer rondlopen langs de kam van een heuvel. Shit, shit, shit. We houden hem met onze verrekijker in de gaten. Hij is blijkbaar blueberries aan ’t vreten. Het duurt nen helen tijd eer hij uit ons zicht verdwijnt. Hij zal ons wel niet gezien of geroken hebben zeker (het is windstil). Ge kunt hier inderdaad niet naast de blueberries kijken hier, ze staan overal en ze zijn overheerlijk. Maffen.

Donderdag 30 juli (dag 19)
Tundra & musquito’s

We kunnen beginnen aan onze tocht door de toendra. Onze stafkaarten geven een declinatie aan van 26.5°. Dat is al wel de moeite. We moeten de “Moose Creek” volgen, een rivier die in het visitorcenter staat opgegeven als “difficult crossing”, dan kennen ze ons nog niet. De noodzakelijke rivercrossings verlopen dan ook vlekkeloos. In de verte zien we kleine witte hokjes staan en een booghangaartje. Het ontsiert heel het zicht in het dal. I don’t like this. Ook de muggen waren nog nooit zo sterk vertegenwoordigd als hier. Zelfs ne goeie repellent volstaat niet. Ons hoofdnetje komt hier goed van pas. Omdat het zo warm en zonnig is, ben je bijna verplicht een short te dragen, maar de muggen teisteren elk bloot plekje op ons lichaam. Onvoorstelbaar, muggenbeten bij de vleet, overal! ’s Middags krijgen we een kariboe op bezoek bij de lunch op zo ’n 20 m, waauw. Het terrein is zo zwaar dat we per dag in vogelvlucht slechts 5 mijl kunnen afleggen. Plus de kaart constant checken, want hier missen, kan serieuze gevolgen hebben.

 

Vrijdag 31 juli (dag 20)
Lunch with a view at Mt. McKinley

We hebben besloten van onze tocht in te korten. Als we weer eens door de willow aan ’t wakken zijn verschiet ik mij ne bult: vlak voor mij vliegen wel 10 fazanten de lucht in, wa ne nest. Even later nog meer vliegend wild. Nen havik komt boven ons cirkelen, hij vliegt terug weg en komt met volle snelheid op ons afgevlogen, herhaaldelijk en steeds lager en lager tot zo ‘n 3 m boven onze kop, scary! Hij moet vast en zeker een nest met jongen in de buurt hebben. ’s Middags weer lunch maar deze keer met zicht op de McKinley, wolkenloos. Dat is veel geld waard, de kans dat ge de McKinley wolkenloos kunt zien is slechts 11%. We’re lucky.

’s Avonds is ’t feest: de pannenkoeken moeten er aan geloven, geen gewone pannenkoeken maar “blueberry pancakes”. Vers geplukte berries gebakken in de pannenkoek… mmm lekker! We hadden eigenlijk wel verwacht meer wild te zien vandaag maar soit.

Zaterdag 1 augustus (dag 21)
Routine

Hetzelfde zonnige warme weer, even veel muggen, even zwaar terrein. Er staat weer een rivercrossing te wachten, best leuk met dit weer. Als we de overkant bereiken nuttigen we onze middagboecht, met de voeten in ’t water. Zalige afkoeling, genietend van de zon die glinstert op de fors stromende rivier. Er komt een kariboe uit het struikgewas gedoken. Hij komt er zijn dorst lessen in de rivier waauw. Hij staat maar 10 m van ons verwijderd. Als hij ons opmerkt maakt hij zich snel uit de voeten (poten). Dat was dus het “wild van de dag” voor vandaag. We gaan op zoek naar een ranger cabin die op de stafkaart voorkomt. Het zou een goed referentiepunt moeten zijn voor ons, om ons precies te kunnen oriënteren. Het wordt nog warmer en zwaarder. We zijn blij als we af en toe een stuk wildpad kunnen volgen dat stapt een stuk vlotter. De cabin blijkt nog niet in zicht, dus slaan we ons kamp maar op. Eerst een lange broek aandoen, iets met lange mouwen en hoofdnetje opzetten want als je stilstaat komen de zwermen op je af. We leggen het grondzeil open en ik leg me plat erop om het terrein te egaliseren. Geen 5 minuten later lig ik te snurken in de zon, een grappig zicht met zo ’n net op uwe bol. In een droge rivierbedding beginnen we te koken en we kunnen het niet laten om nog eens een kampvuurtje te stoken, gewoon voor de gezelligheid. En dan maffen.

Zondag 2 augustus (dag 22)
Caribouman in action

Verder op zoek naar de ranger cabin: de Brecht staat scherp: we kunnen hem bijna niet volgen en zeker niet als we door de willow moeten. Hij kruipt erdoor als ne kariboe dus vanaf nu kunnen we hem evengoed “caribouman” noemen.

Er komen 3 hikers in onze richting, volk van Israël. We blijken nog steeds exact juist op de kaart te lopen zoals het voorzien was. Pluim voor ons zelf. Nog ene bergpas doorkruien en dan moet de weg in zicht komen. Inderdaad, perfect volgens plan. We besluiten om het Denali Park te laten voor wat het is. We hebben het wel gezien, het wordt te ééntonig. We pakken dus de eerste bus terug richting exit Denali Park. Nu krijgen we wel een ver zicht op dit immense park met eindeloos grote valeien enzo. We leren ook veel bij van de buschauffeur die heel de tijd door ons kennis bij brengt in verband met beren, de dode bomen, de naam van de bergen, de naam van het park enz. Heel in de verte krijgen we weer een mama grizzly te zien met haar baby. We laten ons droppen at Morino campground. We maken kennis met Julian, nen toffe kerel van California die al zeer lang on the road is.

Maandag 3 augustus (dag 23)
Gaas!

We kunnen moeilijk uit onze nest, tegen de noon lukt het ons. Daarna gaan we op zoek naar raftingmogelijkheden. Op naar de Nenana river (= gletsjerrivier van 3°C), we hebben er zin in. De meisjes die de administratie regelen vallen wel in Brecht zijne smaak, vooral Alice. We moeten eerst weer een contract van 2 bladzijden ondertekenen wat er weer op neer komt dat ge weer zelf alle verantwoordelijkheid draagt voor uw eigen stommiteiten, en tussen de lijnen kan je lezen dat ge op een verzekering ook niet te veel moet rekenen. Ok, in the white water, ik en Brecht vooraan, de Chris achter ons. We gaan er volle vaart tegenaan met veel lawaai en kabaal. We varen duidelijk in de kijker van de andere boten, want wij zijn den ambianceboot: op elk commando word stante pede met volle kracht gereageerd. “Forward” wordt door ons al snel vervangen door “Gaas!”.

In de andere boten zit iedereen er passief bij en blijkbaar ook kou te lijden, wij daarentegen gaan regelmatig achteroverhangen tot onze kop in ’t water hangt. Kicken, rapids van klasse 3 en 4 (op een schaal van 6) volgen elkaar op, dikke fun. De andere boten houden zich meer bezig met ons te fotograferen dan met het genieten van de waterpret.
Als we terug omgekleed zijn aan ’t raftingkot slaan we nog een babbel met de 2 raftingmeiden (vakantiewerksters). Ze stellen voor om vanavond uit te gaan naar de “Smoke Shack”, daar zit al ’t jonk volk, wij stemmen natuurlijk in. We trekken onze minst smerige kleren aan en kuisen onze bek nog eens goed. Ok, we zijn er klaar voor. De 2 raftinggrieten zijn niet te bespeuren. De ontgoocheling is het grootst bij de Brecht. We beginnen met nen Alaskan Amber. Daarna proeven we een ander Alaskaans gerstenat “Fireweed Honey”. De naam alleen al klinkt al lekker en het valt best nog mee ook. Tussen gewone pils en hoegaarden in. We bestellen ne karaf voor ons samen (=meer en goedkoper). De muziek is ok: “wide spread panic”, iet Amerikaans da ‘k nog nie ken. Naar ’t schijnt begint het hier om 0.30u pas vol te lopen omdat de rest in ’t dorp dan gesloten wordt. Rond 1.30u gaan de tapkranen dicht. Wij dus naar buiten. Er zijn 2 gasten een heel ingetogen percussieshow aan het weggeven. Ze liggen half op de grond (bongo en djembe). Het doet hallucinant aan (hier zitten de vele karaffen fireweed honey natuurlijk voor iets tussen). Ze zijn duidelijk op mekaar ingespeeld. Ik en Brecht pakken spontaan over maar spelen een stuk luider met als gevolg, reclamatie van ne gast (= uitbater van de Smoke Shack) die niet kan slapen. We geraken aan de praat met die gasten en een koppel ander vrienden die erbij horen. Scot en John wonen in Juneau. He is in love with his country en dat begrijp ik volkomen. Ik krijg thee-kruiden van hem die hij zelf heeft geplukt. Brecht en Chris zijn volop in gesprek met een struise, zatte Canadese Angela: ze wil het tegen de Chris opnemen met drinken: tequila + 1 meter guiness, maar uiteindelijk “trekt ze hare kak terug in”. Een mooi voorbeeld van ne bluf charge. Geen simpel trien. Ze lacht met ons Vlaams taaltje. Chris en Brecht geven haar direct les: ik wil u kussen, schoewen meske, … van dieje praat.
Een van de gasten vraagt aan mij waar we overnachten en hoe we daar geraken. “In Denali Park, zo ’n uurtje wandelen,” antwoorden we. Ze bieden spontaan een lift aan en we kruipen voor de zoveelste keer achter in ne bak van ne pick-up. Toevallig ligt dat daar vol mee instrumenten. Eerst vinden we nen djembe en ne bongo, dan een gitaar (uit een koffer genomen) en een mondharmonica. En wij maar spelen. Ik zing “We ‘re heading for Talkeetna” en een railroad liedje, want kot in de nacht moesten we wachten voor een trein. Eerst reed de chauffeur voorbij de ingang van het park, maar Chris had het op tijd gezien (Chris kreeg al snel de bijnaam “Eagle Eye” mee omdat hij altijd alles als eerste in de mot had) en deed hem op tijd omkeren (anders hadden we waarschijnlijk tientallen kilometers te ver gereden). Op ’t einde van de rit bedankte hij ons voor de muziek en wij hem voor de lift en konden we gaan slapen.

Dinsdag 4 augustus (dag 24)
Heading for Talkeetna

Rustig wakker geworden en vrij lang in onze nest blijven liggen. Naast ons zijn de geburen al lang vertrokken. We ontbijten met de thee van gisteren die best lekker was. Op ’t gemakske pakken we in en gaan een laatste keer naar het visitorcenter. Chris vindt er zijn bbq-rekske terug wat hij daar weggestopt had en eindelijk kunnen we onze berencontainers ook dumpen. Het is zoals altijd verschrikkelijk druk in het visitorcenter. We moedigen een paar gasten aan die er nog moeten aan beginnen. We bellen onze gereserveerde bus af want we besluiten nog maar eens om met autostop te gaan. In ’t begin hadden we vrij snel ne lift: een pendelbusje van het visitorcenter naar een vliegveld (bestuurd door enkele grieten). Als we op weg zijn draaien ze nog eens terug om ne Jap op te laden die nog een vluchtje wil maken. Dan worden we gedropt aan het vliegveld en daar begint de miserie. Julian (de California man) waarmee we gisteren kennis gemaakt hebben op de camping, zat bij ons in ’t buske. Hij gaat als eerste al wa voorop. Het lijkt alsof er geen kat meer op de aardbol rondrijdt. Wachten, wachten en nog eens wachten. Van miserie beginnen we (zoals gewoonlijk) met steentjes te gooien.

Julian heeft redelijk rap succes maar wij zullen daar 3u (!) moeten staan wachten tot er iemand stopt. (We waren ook al gesplitst met de bedoeling sneller succes te hebben.) Eigenlijk wou de chick die gestopt was gewoon een vuurtje, want ze was dringend aan een sigaret toe. We mogen in ne gezellige bak gaan zitten. Aan een pompstation moeten ze een andere richting uit. Hier kopen we met z’n allen een drankske en ne bananenmuffin – heel lekker. Chris en ik proberen mensen te strikken die daar komen tanken, Brecht probeert het aan ’t straat met zijnen duim.
Eindelijk hebben we nog eens prijs. Chris kan voorin zitten, Brecht en ik in ne bak met ne matras erin. Brecht slaapt zacht. Chris doet de hele tijd een babbeltje met de chauffeur. De kerel is van de lower 48 en werkt in het “Denali Hotel”. Hij heeft enkele dagen vrijaf genomen en rijdt ietsje verder dan Talkeetna, waar wij naartoe willen. Als vriendendienst rijdt hij 40 km om en dropt ons in downtown Talkeetna. We gaan met hem op café en trakteren hem voor zijn gastvrijheid. Het café is de “Historical Fairview Inn”. Het hangt er vol met foto’s van overleden klimmers, en ook een heel deel geweien. Het is er heel gezellig en we worden er direct aanzien voor klimmers. We worden er direct aangesproken door redelijk veel volk. Na 1 pintje vertrekt onze chauffeur en wij zoeken de plaatselijke camping op. Op ’t einde van de straat (’n klein dorpke) is een campingske maar als we iets verder gaan staan we tegen een oever van een rivier. We kiezen een rustig plekske uit en beginnen ons potje te koken. Het regent weeral en we vliegen maar eens in de puree die we nog altijd van in België meesleuren. Brecht heeft duidelijk de verkeerde keuze gemaakt qua saus (ook wat extra peper en zout bieden geen oplossing meer) en eet zijne braggel voor de eerste keer niet op! Dan moet het al serieus slecht zijn. We halen stiekem nog wa drinkwater op de camping en Brecht gaat een pintje drinken bij de Mark. Mark is een helikopterpiloot die met zijn hond er even tussenuit is. We kruipen dan maar eens op tijd in onze nest met de regen al pletsend op onze tent…
Woensdag 5 augustus (dag 25)
A cup or a bowl?

We worden wakker door het getik van de regen. We blijven zo lang mogelijk liggen maar eruit moeten we. Langzaam slenteren we door de straten en gaan nog maar eens de zoveelste survivalwinkel binnen. Het valt hier echt wel op dat dit dorpje de uitvalsbasis is van de Mount McKinley klimmers is. Als we de Fairview Inn passeren gaan we een dagsoepke eten: chicken noodle soup. Goe pikant! We moeten kiezen tussen 16 en 32 ounces, a bowl or a cup. We zien er mensen een grote bolvormige kop soep eten en dus bestellen we “a bowl”.

Toen we onze bestelling kregen zagen we dat we iets groter kregen, namelijk een waskom soep!
Onze magen zijn weer gevuld en we zijn klaar voor een stevige wandeling. In een souvenirswinkeltje krijgen we een planneke met een geleide wandeling. Eerst passeren we het plaatselijke vliegveld (er zijn hier wel twee landingsbanen) en merken dat er hier en daar een vliegerke in de hof staat. De oudste hut van Talkeetna is nog origineel ingericht zoals 100 jaar geleden. Naast de trappershut staat een oude school die nu dienst doet als museum. Aan het museum is een gebouw helemaal geweid aan de Mt. McKinley. Alle aanwezigen hebben een bewondering voor de eerste expedities, waarvan hier veel gedocumenteerd is. Hier staat ook het grootste schaalmodel van de berg, 4 x 4 m met dezelfde schaalverdeling als op een stafkaart. Vervolgens gaan we naar het ranger station waar we een film te zien krijgen over een recente expeditie. Het is ons al snel duidelijk: da is niks voor mietjes.
Aan ons tentje koken we maar eens iets fatsoenlijk. De Brecht wil perse ne vis vangen en probeert daar in de Talkeetna river iets boven te halen, zonder succes. Als er ne visser voorbij komt raadt hij aan om iets anders aan onzen haak te hangen: ne “pixy”. Wij dus met dieje gast naar de winkel om zo ne pixy te zoeken. Ok. Gevonden. Wij met z’n drieën, om beurt vissen…
Ondertussen hadden we er een plaatselijk biertje bijgenomen, ne Kodiak Bear – bier. Het water is er veel te troebel om te vissen en da werkt nie erg bemoedigend. Chris trekt terug naar de Fairview Inn en heeft er direct klap met de Mark (den helikopterpiloot, die in onze buurt overnachtte) en nog wa locals. De locals zijn er vrij bezopen. Chris praat er met ne beroepsvisser die dit jaar veel minder verdient dan andere jaren: het zoveelste bewijs dat er dit jaar weinig vis zit. Hij waarschuwt ons ook dat er een beer in de buurt van het dorp rondzwerft, maar krijgt Chris daar toch nie bang mee. Door de hevige regen valt de elektriciteit regelmatig eens uit. Hier zijn ze het zo gewoon. Het kan ook zijn door een plaatselijk groepke dat er aan het optreden is: enkele locals met een gitaar. Ze spelen een soort country-achtige muziek, maar best wel de moeite. Ze hebben hier redelijk wa succes, het hoogtepunt is hun cover van Neil Young’s “Ohio”.

Fantastisch. Brecht is ondertussen ook een kijkje komen nemen en ik ben maar in mijnen tram gekropen. Ondertussen is de elektriciteit nog maar eens uitgevallen en deze keer blijft hij uit.
’t Is stillekes aan ook voor ons tijd om te gaan slapen. Door de regen gaan we naar ons tentje. Chris slaapt als een roos natuurlijk maar Brecht en ik horen ’s nachts een gesnuffel aan de tent. Brecht zit mee een pee in z’n broek en grijpt direct naar de pepperspray, maar durft nie naar buiten gaan kijken. ’s Anderendaags ’s morgens zien we toch geen berensporen staan, het zal waarschijnlijk wel een hond geweest zijn (want van berensporen kennen we ondertussen alles, en deze waren hier niet te vinden)!

Donderdag 6 augustus (dag 26)
Hitch-hike contest

Op tijd opgestaan, ingepakt in de regen. Eigenlijk zouden we in dit dorpke nog wel een paar dagen willen blijven plakken, er heerst een plezante sfeer onder de dorpelingen en overmorgen begint hier het 3-daagse “Bluegrass-Festival”, iets buiten het dorp. Sommigen zeggen dat er jaarlijks 15.000 man op af komt, anderen spreken van 30.000 man. Rond dezen tijd beginnen er van overal avonturiers toe te stromen die op het festival hun diensten willen ter beschikking stellen in ruil voor een ticket voor het festival. Niet voor ons weggelegd wegens tijdsgebrek.
We willen vandaag terug in Anchorage geraken, zal het lukken? Gepakt en gezakt gaan we voor de laatste keer door Talkeetna dorp. In een winkeltje kopen we nog wat snickers, drank en andere proviand. De Brecht pakt nog rap ne warme koffie.
De baan op voor een lange trip. We gaan al richting highway en we splitsen ons op, we zien mekaar nog juist in de verte. De Brecht krijgt als 1ste ne lift. Ne pick-up natuurlijk. Ik en Chris kunnen ook mee (vanachter in de bak) “open air”, het regent nog steeds; goretex goed dicht trekken dus. Het is nen topograaf. We settelen ons tussen de statieven en andere meetgerief. Hij kapt ons een paar kilometer verder af, we staan nu toch al wat dichter bij den highway. De volgende lift is van een vrouw van ± 30jaar, hippie-achtig type. Haar car is er erg aan toe: haar achterruit licht er half uit, het dak is niet meer bekleed. ’t Is een oude krel. Het is vandaag haar vrije dag. Ze gaat een familielid bezoeken. Ze is van Talkeetna zelf. We passeren een afgebrande vlakte ontstaan door vuurwerk (er staan trouwens regelmatig kraampjes waar je alle soorten vuurwerk kunt kopen). De wind stond tijdens de brand richting Talkeetna, het scheelde niet veel of Talkeetna was ook in de vlammen opgegaan. Ze was zelf ook al liftend naar Alaska gekomen, maar dan in de winter (toch nog iets avontuurlijker). We zijn nu toch een aardig stuk opgeschoten. Ze dropt ons in een bewoonde zone met veel verkeer.
We splitsen ons terug op en steken onzen duim opnieuw uit. We maken er nu een wedstrijd van, om ter eerste in Anchorage. We spreken af op de camping. De Brecht heeft weer chance, er stopt weer een car. Ik kan ook nog mee, de Chris kan er niet meer bij, we wuiven hem nog uit. Bye, Chris. Het is een vrouw die klein mannen heeft want haar car ligt vol met rommel van die snotters. Ik moet me echt tussen het speelgoed wringen. Voila, weer 20 km opgeschoten. De volgende lift kan de Brecht droog meerijden, ik mag mee als ik in de bak wil kruipen (het is weer nen open pick-up) en het regent nog steeds goed door. Ik heb geen andere keus en jump dus in de bak. De gast brengt ons tot op het strategische t-kruispunt. We zijn nu nog ± 30 km van Anchorage verwijderd, waar zou de Chris zitten? Voor of achter ons? Spannend. We gaan naar de drive trough-kiosk en hebben direct chance. We kunnen mee met 2 meisjes en ne gast (± 18 jaar allen). Ze moeten naar de luchthaven in Anchorage. Ze moeten een vlucht hebben, de bestuurster is heel nerveus want ze zijn blijkbaar in tijdsgebrek, ze klaagt al maar door over haar voorliggers die te traag rijden en dan zijn ze daar toch nog wel aan een brug aan ’t werken wat voor verkeersvertraging zorgt. Ze wordt bijna kierewiet. De gast die bij ons vanachter zit is weinig van zeggen, maar soit, we hebben een lift tot in Anchorage. We hebben chance want ze moeten ook afrit “Muldoon” hebben. Dus worden we bijna voor de camping afgezet. Nog een stukje wandelen naar de Centennial Campground. Zou de Chris er al zijn. Op de campground is er gene Chris te bespeuren. We gaan schuilen onder het afdak van het sanitair blok want de regen stopt niet (het is nog niet gestopt sinds maandagavond!!!). Wie komt daar uit de wc’s? De Chris natuurlijk! Shit, we zijn niet gewonnen. De Chris was ons voor. Hij heeft ne lift minder nodig gehad om de campground te bereiken (een sportcar en een jeep). Weer een avontuur met een happy end. We zetten ons huis recht en besluiten ’t stad in te trekken, het is nog maar 14.00 u. We gaan naar het Federal Bureau of Public Land Information om folders te halen van de Nationale Parken die we hebben aangedaan. We neuzen er nog wat in de hopen interessante lectuur die er te koop is. Ik en Chris kopen een prachtig fotoalbum van Alaska (volgens mij het mooiste souvenir dat ge van ginder kunt meebrengen dat nog betaalbaar is).
We vinden voor de Brecht nog een werkbroek waar hij al zolang van klapt. We slenteren van de ene naar de andere souvenirwinkel en proberen elkander te overtuigen om dit of dat te kopen als ultieme souvenir. Uiteindelijk zakken we terug af richting campground en springen de pizzahut binnen. We hebben geen zin om in de regen te koken. Probleem: het aantal stukken pizza is niet deelbaar door 3. Wat nu? Chris heeft een lumineus idee. We moeten proberen te schatten hoeveel mijlen er al gereden zijn met de “van” die op de parking van de supermarkt staat. Chris wint. We passeren nog langs de liquor store for some beer. Als onze blikjes leeg zijn kruipen we voor de voorlaatste nacht in onze tent. De Brecht presteert het zelfs nog om eerst nog nen douche te pakken (ne propere jongen toch?)

Vrijdag 7 augustus (dag 27)
Last day, last adventure

Laatste dag in Anchorage: Chris moet nog een vuurke kopen (Whisper lite stove van MSR) en wil duidelijk de beste koop. Dit heeft als gevolg dat we 4 winkels moeten doen wat heel wat tijd vraagt (te voet). In 1 winkel staan we serieus te twijfelen om zo ’n Mountainhardwear tentje te kopen. Het kost wel redelijk wa geld maar we stellen het toch maar uit. We hebben wel alle informatie (e-mail adres van de fabrikant) die we nodig hebben. Kort na de middag kunnen we dan eindelijk beginnen aan onze laatste tocht die we toch nog graag gedaan hadden: de Flat Top Mountain Trail. Het enige probleem is dat deze moeilijk bereikbaar is met het openbaar vervoer. Met twee busverbindingen en een lift tot aan de start van de Trail geraken we er wel. Het is naar onze normen een redelijk gemakkelijke pad en dus houden we er een stevig tempo op na. Als we stijgen komen we lopers tegen: dit is een geliefkoosde plek om te trainen. Als we bijna boven zijn merken we op zo ‘n 20 m voor ons een schoon exemplaar. We versnellen om te proberen haar in te halen, maar we komen nauwelijks dichterbij. De Brecht kan ze net niet inhalen voor de top. Zij neemt heel cool het keerpunt terwijl wij hijgend van het uitzicht genieten. Het is dus duidelijk dat je niet ver buiten Anchorage hoeft te gaan om prachtige uitzichten te hebben. Na een korte pauze begint de afdaling. De 2 jongsten denken da schoon exemplaar te kunnen inhalen en lopen gewoon de berg af. Aan de top is het redelijk technisch klauterwerk en ik en Brecht schuwen géén risico’s. Tijdens de afdaling begint het stevig gaan te hagelen en de pad wordt vettig en gevaarlijk. Gevolg: ik crash 2x en heb een serieus kot in mijn spray way broek, da zijn de risico’s van ’t vak hé.
Als Chris op z’n gemakske beneden aankomt, komt er eentje terug bergop. Brecht had zijn regenbroek uitgedaan en snel in zijn rugzak gestoken. Tot 2x toe viel er vanalles uit en dan moest hij stoppen om alles terug in te laden. Ik wachtte niet en de race ging verder natuurlijk. Beneden aangekomen mankeerde hij dus zijn regenbroek. Hij had geluk dat mensen dit hadden zien gebeuren en zijn broek voor hem meebrachten.
Wij moesten dus nog zien terug te geraken, deels autostop, deels met de bus. In het afdalen stopte een busje. Toevallig waren dit de mensen die de Brecht zijn broek hadden gevonden. Da was daar vollen ambiance in da busken en wij konden de mensen vermaken met onze bere-verhalen (wat zij wel op prijs stelden). Vervolgens wilden we verder de stad in te liften maar er was niemand bereid ons uit de gietende regen mee te nemen. Dan maar wachten op de laatste bus. Downtown moesten we direct een aansluitende bus nemen naar de camping. Als we deze zouden missen, dan zouden we brute pech hebben en zou er van slapen nie veel in huis komen. Aangezien we aan de buschauffeur onze situatie hadden uitgelegd, hielp hij ons door een andere buschauffeur op te bellen en deze op te houden. Op deze bus zit ook ne gast die niet kan praten. Hij kon ons duidelijk wel verstaan, maar kon alleen wat mompelen en communiceren met gebarentaal. Als we van bus overstappen doen we iemand ons busboekje cadeau want dat was toch de laatste keer. Aan een McDonalds laten we ons droppen en eten nog wa junk. Beir vraagt gene cola maar wint er gewoon ene. Hier komen we ook een Zwitsers koppel tegen dat we enkele weken geleden al in Katmai op de camping ontmoetten. Tof koppel. Nog wat later komen we ze nog eens tegen op de camping. Aangezien zij nog over een huurwagen beschikten doen we ze onze overschot aan brandstof cadeau. Ook zien we er enkele Zweedse avonturiers terug die we voordien ook al op de bus zagen. Niemand is er natuurlijk geïnteresseerd in onze pepperspray die we nog willen verpatsen. Heel laat gaan we nog eens voor de laatste maal douchen. Later en kot in de nacht pakken we 1 voor 1 onze rugzak in in ons klein tentje en gaan nog eventjes slapen (1.45 am). Om 4.45 am loopt de wekker af om de tent in te pakken. Onze laatste uren zijn geteld…

Zaterdag 8 augustus en zondag 9 augustus (dag 28 & 29)
Bagagetroubles again

In de ultra vroege morgen voor de laatste maal onzen iglo inpakken, die nog zeiknat is van de dauw. Met de taxi naar de airport. Inchecken and all that stuff, het is al een gewoonte geworden. Maar dit keer met een wrange nasmaak want hier zetten we willes nilles een punt achter ons Alaska avontuur. Alaska is a hard land to leave. Gelukkig heb ik een dagboek bijgehouden dat ik nog dikwijls met een smile op mijn face zal herlezen. De vluchten verlopen vrij vlotjes met de nodige Baileyskes, Wodka’s and beers. Vermoeid maar voldaan zetten we terug voet op de Belgische bodem. Het is hier snikheet naar onze normen, rond de 28°C.
Op de koop toe zijn onze rugzakken weer eens niet op hun eindbestemming toegekomen. Onze rugzakken zijn waarschijnlijk vervloekt. But who care’s.
Ik vlieg mijn vriendin in de armen die ik al anderhalve maand niet meer heb gezien of gehoord. We hebben heel veel bij te praten want tussen Cuba en Alaska ligt er een wereld van verschil. That’s for sure.