Beklimming van de Matterhorn.
Zaterdag 31 juli 1999 - 04.30u.
We hebben geen horloge nodig om wakker te worden want ik lig al een hele tijd wakker met een hele reeks vragen in mijn hoofd. Hoe zouden de rotsen erbij liggen na die regen en hagelbuien? Waarom staan die andere klimmers niet op? Laten we een cordée voorgaan of vertrekken we zelf als eerste?
Om 05.00u. staan we op en zetten we koffie, eten een stuk chocolade, nemen een kijkje buiten en schrikken! Alles is verijsd en er ligt enkele centimeters korrelsneeuw. We besluiten om onze klim toch verder te zetten want terug afdalen zou zeker even moeilijk zijn als verder klimmen, maar we zullen een cordée laten voorgaan.
06.00u. Eindelijk een cordée van twee die vertrekt. We volgen hoe ze vorderen. Het gaat zeer langzaam. Nochtans is de inklim niet zo moeilijk.
We zullen het gauw genoeg ondervinden en vertrekken. Het eerste stuk van de klim hangt er een vaste ketting, maar alles is met een laag ijs bedekt en de ketting is nauwelijks te gebruiken omdat deze driemaal zo dik is als normaal door al het ijs dat eraan hangt. Daarom ging het daarnet zo traag bij onze voorgangers.
Rudi vertrekt als eerste, af en toe maakt hij gebruik van de ketting om een setje in te pikken, hij vordert goed. Wanneer het touw bijna aanspant vertrek ik als tweede en iets later volgt Urbain.
We klimmen "corde tendue" en merken dat we vrij vlug de cordée voor ons op de hielen zitten. Ze vorderen zeer traag. Blijkbaar voelen ze zich zeer onwennig en klimmen misschien niet zo graag met stijgijzers op dit terrein.
We omzeilen de "grote toren" en komen aan de volgende moeilijke passage. Hier hangt een vast touw dat sterk verijsd is. Er hangen wel ijspieken van een halve meter aan. Hier zit de kopklimmer van de eerste cordée goed fout. Hij durft het vast touw niet te gebruiken en traverseert om een gemakkelijkere weg te vinden.
Dan is het aan ons. Rudi klopt enkele malen met zijn pikkel op het touw, er vallen wat ijspieken af en hij begint aan de klim. Enkele meters hoger legt hij rond het dik touw een prusik en zo werkt hij zich verder omhoog. Wij doen juist hetzelfde en klimmen tegen een goed tempo verder.
De zon komt er maar niet door. Het is mistig, koud en nat. Van een weersverbetering waar we op hopen komt niets terecht, met gevolg dat de klim niet helemaal verloopt zoals we willen en we ver boven topotijd de top zullen bereiken.
Zou de tweede poging om de top te halen ook mislukken? Vanaf hier zouden we nog terug kunnen. We overleggen en komen tot een gezamenlijk besluit: we gaan door.
Van de andere cordées is niets meer te bespeuren. We klimmen langs talloze graattorens en verschillende vaste touwen, sommige wel dertig meter lang. We klimmen verder over de graat. Deze wordt na enige tijd smaller en legt zich dan horizontaal. Dit noemt men de Tyndall-graat. Hier bevindt zich een diepe insnijding op de graat (der Enjambée). Na deze te hebben overwonnen wordt de graat weer breder en gemakkelijker. Met behulp van een vast touw kunnen we een steile wand beklimmen. We volgen de route en komen aan een ladder waarmee we een overhangende wand gemakkelijk overwinnen.
Enkele tientallen meters hoger hangt het laatste vaste touw dat het beklimmen van de laatste rotswand sterk verlicht.
Opeens ... enkele meters hoger, bereiken we de Italiaanse top (4478 m). Enkele meters verder staat een prachtig kruis. Een honderdtal meter verder is de Zwitserse top.
De top halen was niet het grootste probleem. De afdaling baart ons nu de grootste zorgen. Langs Italiaanse zijde is er voor ons niemand boven geweest, maar we zien, en dat is een grote opluchting, sporen op de Zwitserse top.
Het is 14.00 u. Na de nodige kussen en felicitaties beginnen we met de afdaling. Het weer is nog steeds slecht en het ziet ernaar uit dat het zo zal blijven.
De afdaling verloopt vlekkeloos en al vrij vlug bereiken we de Solvay-hut. Hier maken we kennis met 2 Polen. Ze zijn te moe om af te dalen. Eén ervan vraagt ons of we misschien een gsm bij hebben. Hun kameraden wachten in de Hörnli-hut en zullen ongerust zijn. We praten nog wat en komen zo te weten dat zij vandaag de enigen waren die de top langs Zwitserse zijde bereikten.
Het is 16.00u. als we verder afdalen. We klimmen een rotswand af van ongeveer 50 meter. Rudi traverseert al over een firnhelling tussen de 45° en 50°. Ik volg.
Opeens ... na een tweetal meter breekt er sneeuw af Ik roep: "Rudi, pas, ik glij weg". Dan zoals een sneltrein, 5 meter, 10 meter ...
Ik wil remmen, maar alles gaat zo snel ... een schok ...
Ik roep: "Urbain, pas op !! " Maar 't is te laat. Enkele meters ervoor heeft hij juist een tussenzekering losgemaakt. Hij zet zich schrap maar door de enorme kracht trek ik Urbain uit de wand. Ik lig stil, maar Urbain wordt, net als een speelgoedpop, achteruit gekatapulteerd en ploft 10 meter lager op de firnhelling op zijn rug. Alsof dat nog niet genoeg is, vliegt hij de helling af, botst op een grote rotsblok, een schok ... Op zijn beurt trekt hij mij mee naar beneden. Mijn touw spant en dan hangen we aan ons touw.
Oef ... Rudi heeft ons gehouden. Tot Rudi's grote verbazing breekt het touw niet. Dan enkele seconden, muisstil, ik vloek, waarom toch???
Urbain!!! Urbain!!! Geen antwoord. We brullen beiden als zot, maar steeds geen antwoord.
We vrezen het ergste. Ik probeer naar boven te kruipen, maar het lukt me niet. Rudi kan niet meetrekken want het touw tussen hem en mij zit achter een ijzeren stang en een rotsblok. Minuten gaan voorbij ... maar het lijken wel uren.
Een 10-tal minuten later, na herhaaldelijk roepen en schelden, komt Urbain bij bewustzijn en steekt zijn bebloed hoofd boven de rotsblok uit.
Dat geeft ons een geweldig gevoel en als we erbij moesten kunnen, kreeg hij direct nen dikke kus, zo opgelucht zijn we.
Ik roep: gaat het jong? Ja, verdomme, maar het doet zeer, en mijn pols, ik weet het niet.
Nu Urbain een beetje mee kan helpen, trek ik hem naar boven en zo geraken we tot bij Rudi waar we een standplaats aan een kabel maken.
Urbain heeft veel pijn aan de pols en een diepe snede in het voorhoofd. Zijn pupillen zijn groter dan normaal en we vrezen dat hij in shock zal gaan. Het lijkt alsof hij heel hard zweet, maar toch heeft hij het zeer koud, waarop Rudi zegt: hoe kan dat nu anders, door de val zit je helm vol sneeuw en die is aan het smelten.
Urbain zou het liefst verder afdalen, maar in deze weersomstandigheden en met zijn verwondingen (zijn pols is gebroken) lijkt het ons niet haalbaar.
17.00u. Rudi klimt terug tot aan de Solvay-hut. Ik blijf bij Urbain. Dan takelt hij Urbain naar boven. Ik klim mee en tracht zoveel als ik kan Urbain te ondersteunen. Een half uur later zitten we in de Solvay-hut. Urbain is nog een beetje suf en wij een beetje aangeslagen.
Deze bivakhut is zeer klein en is op dit moment overbevolkt. Er is maar plaats voor zes personen en met ons erbij zijn we met dertien man. Er is geen water, bijna geen plaats, maar er is een noodzender die rechtstreeks met Air Zermatt in verbinding staat.
We verzorgen de hoofdwonde van Urbain en spalken zijn pols. Een andere cordée (die 2 Polen) bieden spontaan hun hulp aan, en koken direct thee. Een andere Franssprekende cordée roept op onze aanvraag de helikopter op. We krijgen als antwoord: "we komen ... we vliegen tot de Hörnli-hut en ... als het weer eventjes opklaart komen we tot aan de Solvay-hut".
Een half uur later horen we een helikopter aan de Hörnli-hut, maar het is nog steeds slecht weer en het zicht is te beperkt. Maar dan, als een Godsgeschenk trekt de hemel open, en de helikopter stijgt op.
Dan gaat alles zeer snel. De piloot bestuurt zijn toestel met grote nauwkeurigheid, de schroeven scheren rakelings boven het dak. Zo blaast hij de sneeuw weg en heeft hij beter zicht.
Het toestel is slechts een tweetal meter van ons verwijderd. Dan doet de piloot teken: alles ok!! Ik heb jullie gezien! Dan vliegt hij weg, een twee- driehonderd meter, laat de kabel zakken met daaraan een redder en laat deze zakken tot op de richel rond de hut (deze is slechts één meter breed).
De redder stelt enkele vragen. Dan maken we Urbain klaar om opgepikt te worden, kleden hem warm aan, en we doen hem zijn zit- en borstgordel aan.
In deze chaos zoeken we zijn materiaal bij elkaar en doen dat in de rugzak die de redder zal meenemen (later zullen we merken dat we één en ander vergeten zijn). Totaal overbodig spreek ik Urbain nog een beetje moed in: "’t zal wel meevallen, binnen enkele minuten ben je in goede handen en daarbij, niet iedereen krijgt zo'n mooie luchtdoop aangeboden".
Dat "aangeboden" is maar figuurlijk, we zullen dat later wel ondervinden. Dan neemt de redder Urbain mee naar buiten, en roept de helikopter op. Wanneer deze komt aangevlogen, laat de piloot de kabel zakken, de redder klikt Urbain veilig vast en zeer snel vliegen ze weg. Zonder problemen, zonder doodsangst hangt onze vriend daaronder te bengelen.
Rudi reikt mij zijn fototoestel aan en ik heb nauwelijks de tijd om een foto te nemen. Ik roep Urbain nog na: "alles goed?" Hij hoort mij niet, maar hij glimlacht, en dat doet ons goed.
Enkele minuten later pikt de helikopter de redder op.
Hoe het gebeurd is, of waarom, daar hebben we de volgende dagen nog genoeg over gepraat. Maar !!... er is altijd een maar!
Was enkele dagen voordien dat geval met die helikopter geen teken? Hadden we de tocht moeten afbreken? Waren we op de Zwutt-graat al niet verwittigd? Mochten we de weersomstandigheden niet geloven?
Zo kun je nog een hele tijd doorgaan.
Hoe we nadien naar beneden gekomen zijn is weer een ander verhaal. Toch kan ik je vertellen dat we om 19.30u. vertrokken zijn aan de Solvay-hut en om middernacht stipt in de Hörnli-hut waren. De lift aan Schwarzsee was natuurlijk dicht. Dat deerde ons niet en gingen naar beneden, Zermatt door, richting camping.
Om 5.00u. konden we ons neervlijen in de tent, zeer moe en gelukkig dat we allen beneden waren geraakt, want zeg nu zelf... Oost west ... thuis best.



